06-12-2013 14:21 | Door: Wouter Pustjens

Met 21,9 procent aan duurzaam opgewekte elektriciteit loopt Duitsland flink voor op Nederland (10,5 procent). Is het alleen rozengeur en maneschijn? Of gaan er ook dingen mis? Wat kunnen we van onze oosterburen leren?

Op extra zonnige of winderige dagen wordt er in Duitsland zoveel groene stroom opgewekt  dat deze soms voor negatieve prijzen wordt verkocht. In Nederland moet je een speurtocht organiseren als je een zonnepaneel wilt vinden. Het is frappant dat twee buurlanden zo verschillend presteren op duurzaam energiegebied.

In Duitsland heeft de energietransitie al meerdere vruchten afgeworpen. Echter, er gaat ook veel fout, waardoor de snelle verduurzamingsgraad ook tegenstanders kent. DuurzaamBedrijfsleven onderzoekt wat Nederland kan leren van onze buren. Wat moeten we overnemen? En wat vooral niet?

 

Doelstellingen

 

Het Duitse succes is te danken aan de Energiewende: dit is het pakket aan maatregelen om een energietransitie van fossiel naar duurzaam te bewerkstelligen. De Energiewende vloeit voort uit de Erneuerbare-Energie-Gesetz, dat al in 1991 is ingezet. In 2010 zijn specifieke doelstellingen voor 2050 opgenomen. Vergeleken met 1990 moeten broeikasgassen tussen 80 en 95 procent zijn afgenomen, moet meer dan 80 procent van de elektriciteit uit duurzame bronnen zijn opgenomen en moet 50 procent minder energie worden verbruikt. Eveneens zijn er tussendoelen voor 2020, 2030 en 2040 gesteld (klik hier voor een volledig overzicht). De Duitse doelen voor 2020 zijn onder meer een 40 procent reductie van broeikasgassen, een elektriciteitsmix bestaande uit 35 procent hernieuwbaar en 20 procent minder energieverbruik.

In Nederland geldt slechts één deadline: verder dan 2020 wordt er niet gekeken. In dat jaar moet er minimaal 14 procent duurzame energie worden opgewekt. Het kabinet wil dan verder 100 petajoule aan energie hebben bespaard, wat gelijk staat aan het elektriciteits- en gasverbruik van 1,5 miljoen huishoudens. Het akkoord is door oppositiepartijen bestempeld als weinig ambitieus.

 

Wat ging er goed?

 

In tegenstelling tot Nederland ligt Duitsland op koers voor haar 2020-doel. Veel bedrijven profiteren van de Duitse industriepolitiek: dit is overheidsbeleid dat de omvang en samenstelling van de industrie probeert te beïnvloeden. In de laatste tien jaar zijn duurzame investeringen met 122 procent gegroeid en is het aantal banen in de cleantech-sector meer dan verdubbeld. Sommige bedrijven hebben van de Energiewende geprofiteerd. Siemens haalt 40 procent van haar inkomsten uit energiebesparende en groene technologiën.

“Het Duitse langetermijnbeleid is concreter, ambitieuzer en meer aan de orde dan in Nederland”, zo stelt Wiebke Pittlik, hoofdredacteur bij Duitslandweb (verbonden aan het Duitsland Instituut Amsterdam). Waar Duitsland specifieke doelen heeft gesteld voor 2050, gaat Nederland voor het vage ‘oriënteren op volledig duurzaam’. Het Nederlandse beleid is op 2020 gericht, terwijl investeringen in het energiesysteem twintig tot vijftig jaar meegaan.

 

Wat ging er minder goed?

 

Terwijl de Duitse coalitie CDU/CSU en SPD wordt gevormd, is de noodzaak buiten de Rijksdag hoog opgelopen om het energiebeleid te wijzigen. Dit gelauwerde systeem heeft namelijk ook een negatieve kant, zo suggereren Duitse economen en zakenlieden. De Energiewende is significant duurder uitgevallen dan aanvankelijk was gepland. Ook verstoort het riante subsidiesysteem het marktmechanisme. Zij schreeuwen dan ook om hervormingen van de terugleververgoeding.

Ook consumenten en ondernemingen hebben zo hun twijfels bij het systeem. “De subsidie is doorberekend in de energieprijs, wat 5,3 eurocent per kilowattuur bovenop de stroomprijs betekent”, legt Pittlik uit. Ze geeft aan dat in het verleden grote energiebedrijven in bijvoorbeeld het Ruhrgebied van deze toeslag vrijgesteld zijn omdat anders hun internationale concurrentiepositie in gevaar zou komen. “Deze regeling wordt ruimhartig geïnterpreteerd, waardoor een groot aantal bedrijven van deze regeling gebruik kunnen maken.” Ongeveer 4500 bedrijven hebben deze vrijstelling aangevraagd. Dit en de terugleververgoeding worden aangepast in het regeerakkoord van de nieuwe coalitie.

De Energiewende legt het spanningsveld bloot tussen langetermijndoelen en kortetermijneffecten. Door een sterke groei aan hernieuwbare energie zijn de elektriciteitsnetten instabieler geworden waardoor het risico op stroomuitval toeneemt. Bovendien blijkt dat energieproductie uit kolen stijgt daar waar productie uit gas sterk afneemt: een effect dat van tevoren niet is voorzien.

 

Culturele omslag

 

Dat juist Duitsland zo voorop loopt in het verduurzamen van de energievoorziening is geen toeval, zegt Pittlik. “De milieubeweging heeft er een breder draagvlak dan in Nederland. Dat heeft zijn weerslag in de politiek, waar duurzaamheid echt een thema is en Die Grünen nog een rol van betekenis spelen.

 

In Nederland heerst er een laissez-fairehouding op dit gebied, maar in Duitsland worden mogelijke gevaren goed uitgezocht

 

“Kijk ook maar eens naar het thema kernenergie. In Duitsland heeft dit altijd hoog op de politieke agenda gestaan, maar Nederlandse jongeren weten niet eens wat voor standpunt ze over kernenergie moeten innemen.” Duitsers voeren actie en gaan de straat op als ze denken dat de veiligheid of hun leefomgeving in het geding is. “In Nederland heerst er een laissez-fairehouding op dit gebied, maar in Duitsland worden mogelijke gevaren goed uitgezocht.” Voor Duitsland is het creëren van industriële kansen de belangrijkste drijfveer voor haar energiebeleid, waar de Tweede Kamer vindt dat het energiebeleid kosteneffectief moet zijn.

 

Leren van Duitsland

 

Uit het Duitse voorbeeld blijkt wel dat met overheidsbeleid beïnvloed kan worden hoe de energie kan worden opgewekt. Eén van de belangrijkste lessen is daarom om een pro-actief en concreet langetermijnbeleid tot 2050 op te stellen. De geest van de industriepolitiek moet hierin gewaarborgd blijven: de overheid voert niet uit, maar stimuleert en ondersteunt publiek-private partnerschappen. Het creëren van 15.000 extra banen in de energiesector, zoals opgenomen in het Energieakkoord is een stap in de goede richting van een groene industriepolitiek.

Maar de Tweede Kamer moet ook kijken naar waar Duitsland minder succesvol is geweest. Het recente wetsvoorstel van minister Kamp (EZ) om energie-intensieve bedrijven stroomkorting te geven is vergelijkbaar met wat in Duitsland tot veel ophef heeft gezorgd. Als de regeling te breed wordt geïnterpreteerd, zal verzet vanuit kleinverbruikers groeien. Door de eisen nauwgezet te formuleren, kan het aantal grootverbruikers binnen deze regeling worden bedwongen en zo huishoudens en het mkb worden ontzien van een toenemende stroomprijs.

Die toenemende prijs van elektriciteit stipt verder de kostenoverwegingen van een concreet energiebeleid aan. De Energiewende is duurder uitgevallen dan gepland, maar Nederland kan profiteren van de leer- en schaaleffecten van dit beleid. Hernieuwbare energie wordt steeds goedkoper geproduceerd en kan soms zelfs voordelig werken op de hoogte van de elektriciteitsprijs.

Een Nederlandse groene (r)evolutie moet ook bedacht zijn op tweedeorde-effecten zoals een toegenomen aardgas- en kolenproductie. Dit kan vermeden worden door de energievraag aan te passen, wat mogelijk is met smart grids.

Duitsland is een absolute koploper wanneer het aankomt op doeltreffend energiebeleid en is hiermee een ideale proeftuin geweest voor het invoeren van energietransities in verschillende landen. Ook uit de negatieve aspecten van de Energiewende kunnen waardevolle lessen geleerd worden. Dat begint in ieder geval met een concrete langetermijnvisie, een breed draagvlak en een kostenefficiënte oplossing.

Foto: 350.org via Flickr & IBC Solar via PV magazine