24-09-2015 13:51 | Door: Erik Verheggen

Om de afgesproken klimaatdoelen te halen is een trendbreuk nodig in het overheidsbeleid, zegt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. De adviesraad pleit voor één klimaatdoel: CO2-reductie.

Hoewel Nederland al jaren klimaatbeleid voert, is de CO2-emissie van de energievoorziening nog steeds niet gedaald. Dat concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in zijn advies ‘Rijk zonder CO2: naar een duurzame energievoorziening in 2050’ dat vandaag aan minister Henk Kamp van Economische Zaken is aangeboden.

De raad pleit ervoor om in het energiebeleid de CO2-reductie als doel te stellen en om het doel wettelijk vast te leggen. De Rli adviseert om het energiebeleid zo in te richten dat in 2050 80 tot 95 procent minder broeikasgassen worden uitgestoten dan in 1990.

De raad pleit ervoor om in het energiebeleid de CO2-reductie als doel te stellen en om het doel wettelijk vast te leggen. 

In het huidige beleid is CO2-reductie slechts een van de doelen, naast energiebesparing en duurzame energie. De Rli pleit ervoor om in het energiebeleid juist niet langer te sturen op de toepassing van bepaalde technologieën of energiedragers.

In plaats van een beleidsagenda die routes uitstippelt voor bijvoorbeeld ‘zon’, ‘wind’, ‘gas’ of ‘biomassa’, stelt de Rli voor om transitiepaden in te richten voor de vier fundamentele maatschappelijke behoeften aan energie: lage temperatuurwarmte, hoge temperatuurwarmte, transport en mobiliteit, en licht en apparaten.

Door het beleid te richten op de behoefte aan duurzame energie en niet op energiedragers of -bronnen, kan volgens de raad in de komende decennia maximaal rekening worden gehouden met sociale, technologische, geopolitieke en economische veranderingen.

Maatschappelijke energiebehoeften

De raad bepleit een specifiek transitiepad voor elke energiebehoefte, met elk zijn eigen tempo en eigen kansen en belemmeringen. De specifieke invulling van elk transitiepad is aan bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen zelf.

De rol van de overheid is in het beeld van de Rli om de juiste condities te scheppen met onder meer internationale en Europese afspraken over CO2-reductie, fiscale prikkels, het wegnemen van belemmeringen en het faciliteren van nieuwe initiatieven.

De Rli adviseert een paar honderd miljoen euro extra vrij te maken voor langlopende innovatieprogramma’s, omdat nieuwe manieren van werken, kennis en technieken nodig zijn om de energietransitie succesvol te kunnen afronden.

Flexibel en adaptief beleid

Flexibiliteit en aanpasbaarheid van het beleid staan in het advies centraal, maar dit beleid is zeker niet vrijblijvend. De te behalen CO2-reductiedoelstelling is hard en moet door middel van overeenkomsten tussen overheid en tussen CO2-uitstotende partijen worden gerealiseerd. Wanneer de afgesproken tussendoelen onverhoopt niet worden gehaald, zal de overheid deze in laatste instantie afdwingen via wet- en regelgeving.

Tussendoelen borgen volgens de Rli het tempo van de energietransitie. De raad meent dat in het tempo van de transitie voor de vier energiebehoeften rekening moet worden gehouden met de mate waarin het beleid nationaal of internationaal gemaakt wordt.

Ook moet een Europees level playing field worden geborgd. Zo pleit de raad er in het transitiepad 'lage temperatuurwarmte’ voor dat de bestaande gebouwde omgeving uiterlijk in 2035 CO2-neutraal is.

Regeringscommissaris

De raad vindt dat het doel en de aanpak van de energietransitie wettelijk vastgelegd moeten worden. Daarnaast is de Rli van mening dat de energietransitie moet worden bewaakt door een onafhankelijke instantie die op afstand staat van politieke en sectorale belangen.

De raad pleit daarom voor een regeringscommissaris die als een onafhankelijke persoon de transitie aanjaagt, bewaakt en langjarig, los van kabinetswisselingen waarmaakt.

Bron: RLI | Foto: David Evers, Creative Commons (Cropped by DuurzaamBedrijfsleven)