27-03-2014 10:09 | Door: Luc Hillege

De biomassa-industrie in Maleisië floreert en is op zoek naar Nederlandse kennis en kunde. Het land wil kansen met tweede-generatie biomassa omzetten in waarde. 

Maleisië is warm, groot, heeft eindeloze rijen palmbomen en idyllische eilanden. Ofwel: het verschilt sterk van Nederland. Maar een ding hebben beide landen in ieder geval gemeen. In Maleisië is de biomassa-industrie net als in Nederland volop in ontwikkeling.

Maleisië, buurland van Indonesië, produceert grote hoeveelheden biomassa. Die is grotendeels – maar niet exclusief – afkomstig van gewassen zoals oliepalm, rijst en rubberbomen. Met een productievolume van 83 miljoen ton palmolie in 2012 is Maleisië de op een na grootste producent van palmolie ter wereld.

Maleisië wil uit de aanwezige diversiteit van biomassa zoveel mogelijk waarde halen. En het liefst in langdurige samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld het Nederlandse bedrijfsleven. Die combinatie ligt voor de hand. Nederland is voor Maleisië de grootste afzetmarkt. Die export betreft voornamelijk biomassa.

Proeftuin

Door zich als proeftuin voor de biomassa-industrie te profileren, wil Maleisië zijn economie laten groeien. De tijd is rijp, vindt de regering in Kuala Lumpur, om meer waarde te creëren. En de overheid heeft een ambitieuze doelstelling om binnen de biomassa-industrie in 2020 een herstellende milieu-impact te realiseren.

Business as usual gaat het verschil niet maken.

[caption id="attachment_62733" align="alignleft" width="189"]Bas Melssen, vicepresident Strategisch Innovatie, bij Agensi Inovasi Malaysia (AIM). Al ruim 17 jaar woonachtig in Malasië.[/caption]

Maleisië wil dit onder andere doen door innovatieve buitenlandse partijen en investeerders aan te trekken. “Business as usual gaat het verschil niet maken,” zegt Nederlander Bas Melssen, vicepresident strategische innovatie bij Agensi Inovasi Malaysia (AIM), een instantie die vergelijkbaar is met de Rijkdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Melssen legt tijdens de World Biomass Market 2014 uit wat de kansen zijn voor Nederlandse biomassabedrijven in Maleisië.

Nederland als biomassacentrum

Die liggen om te beginnen bij bestaande technieken.  In 2012 werd een miljoen ton biomassa via de Rotterdamse haven verscheept. De Rotterdamse haven is  een van de grootste energiehavens ter wereld en wil zich ontwikkelen tot Europa ’s grootste biomassacentrum. Het doel is om in 2020 tussen de 8 en 10 miljoen ton te verwerken. Een deel zal via biopellets worden ingezet als bijstook in de nieuwe kolencentrale op de Maasvlakte, die in 2015 operationeel moet zijn.

Maar er is meer mogelijk dan simpelweg biomassa bijstoken in kolencentrales, wat in essentie hetzelfde is als een geavanceerd houtvuurtje stoken. Biomassa – en dan vooral de duurzamere tweede-generatie biomassa – kan worden omgezet in hoogwaardige eindproducten als bio-ethanol en biochemicaliën.

Daar is echter technologie voor nodig die is te vinden in Nederland, dat met zijn sterke agro- en chemiesectoren inzet op de biobased economy. Zo heeft Maleisië geen commerciële verwerkingsfabriek voor de omzetting van tweede-generatie biomassagewassen. Een commerciële fabriek verwerkt meer dan 100.000 ton biomassa.

Maleisië zoekt dus een partner als het Nederlandse chemiebedrijf DSM, met technische kennis op het gebied van conversietechnieken. DSM bezit de expertise over biotechnologie en levert enzymen voor de omzetting van tarwestro naar cellulose-ethanol, een tweede-generatie biobrandstof. Het chemiebedrijf doet dit al voor de raffinaderij van het Deense Dong Energy. Die produceert 5,67 miljoen liter bio-ethanol per jaar.

Als strategische innovatiespecialist zegt Melssen: “Wij willen een transitie maken van Nederland als handelspartner naar een kennispartner.” Er wordt vooral gezocht naar goede relaties voor de lange termijn.

Business case

Het is aantrekkelijk voor bedrijven om die kennis ter plekke in te zetten. Biomassa kan namelijk niet kosteneffectief worden verscheept, hoogwaardige eindproducten lonen wel. “Hoe meer waarde in Maleisië wordt toegevoegd, hoe meer waarde landen vervolgens zelf kunnen toevoegen.”, legt Melssen uit.  Ook daar ligt een kans voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Subsidie is bedoeld om risico’s te verminderen. Niet om een business case te maken, want anders is er géén business case.

Voor investeringen in conversietechnieken zijn diverse subsidies vanuit de Maleise overheid beschikbaar. Een bedrag van ongeveer  $40 mln. “Deze zijn beschikbaar gesteld om risico’s te verminderen. Maar het is geen subsidie om bedrijven aan te trekken of een business case te maken, want anders is het geen business case.”

De mentaliteit is actiegedreven. Als wordt geïnvesteerd in een commerciële verwerkingsfaciliteit moet er een afnamegarantie zijn van 80 procent van het geproduceerde biomassavolume. De investeerder krijgt dan 40 procent van de initiële kapitaalinvestering van de Maleise overheid terug.

Stenen door het dak

Daarmee hoopt Maleisië Westerse bedrijven naar zijn proeftuin te lokken. De focus ligt op de conversie van twee-degeneratie biobrandstoffen. De technologie is er, maar op een te kleine schaal. In laboratoria en met pilotprojecten kan biomassa bijvoorbeeld al in hoogwaardige chemicaliën worden omgezet. Maar voor het opschalen van deze technieken zijn grote investeringen en specialistische kennis nodig. Het risicoprofiel is hoog.

[caption id="attachment_62738" align="alignright" width="650"] Een overzicht van het fermentatieproces van zetmeel of suikerhoudende landbouwgewassen tot hoogwaardige eindproducten. Bron: Schwandt Infographics in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.[/caption]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De stap van laboratorium naar de markt is lastig. Melssen geeft een voorbeeld van een bedrijf dat een commerciële biomassaverwerkingsfabriek ontwikkelt. Bij het bedrijf zat een steentje in een tank en deze schoot - door de centrifugale krachten - plots uit de tank. “Met drie keer de snelheid van een kogel ging het dwars door het dak van de fabriek,” vertelt Melssen. “Het luistert allemaal heel nauw.” Dit soort problemen komen bedrijven pas tegen 'door het uit te proberen en risico’s te nemen'.

De Maleise overheid beloont risico’s. Zij faciliteert met financiële middelen koploperbedrijven die commerciële faciliteiten willen ontwikkelen voor hoogwaardige eindproducten zoals bio-ethanol. Zo krijgen bedrijven de ruimte om duurzame technische innovaties uit het lab op te schalen naar industriële bio-fabrieken.

Coöperatief model

De overheid is bezig om de juiste locaties te voorzien van de logistieke infrastructuur. Melssen geeft aan dat er diverse clusters zullen ontstaan, zogenaamde ‘Biomass Community Hubs’. De community hubs zijn clusters van biomassa-eigenaren. Er zijn negen plaatsen geïdentificeerd die zich moeten ontwikkelen tot dergelijke broedplaatsen. “Idealiter wordt het een uiteenlopend portfolio van biomassaclusters”, zegt Melssen.

[caption id="attachment_62739" align="alignright" width="650"]Negen potentiële ‘Biomass Community Hubs’ in Maleisië[/caption]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De hubs vormen een geschikte vestigingsplek voor de Nederlandse bedrijven. Die moeten openstaan voor samenwerking en kennisdeling. In een deels door Melssen uitgewerkte strategie is het verwoord als het ‘mobiliseren van Maleise biomassa en zoveel mogelijk waarde creëren voor de bedrijven die hun conversietechnieken willen exploiteren in samenwerking met Maleise biomassa-eigenaren’.

Het idee is om de biomassa-eigenaren deels te laten investeren in de nieuwe conversietechnieken. Het mes snijdt dan aan twee kanten. Als mede-eigenaren zullen zij zich ook inzetten om hoge kwaliteit biomassa voor een goede prijs te leveren. Daardoor profiteren de Maleise biomassa-eigenaren uiteindelijk ook van de gemaakte winst.

Automatisch gaat iedereen zijn best doen in dit coöperatieve model.

De opzet is anders dan die van een traditionele koper-verkoperrelatie. Melssen: “Vergeet de goederenmentaliteit van vroeger, waar alles voor de laagste prijs werd verkocht. Die werkt hier niet. Jouw aandeel geeft je een winstaandeel aan het eind. Dat zal altijd groter zijn dan de opbrengst van de verkoop van goederen alleen. Automatisch gaat iedereen zijn best doen in dit coöperatieve model.”

Foto: Houston Marsh via Flickr