06-10-2015 07:11 | Door: Thijs ten Brinck

De industrie verbruikt tot 45 procent van de primaire energie in ons land, maar blijft grotendeels buiten beeld als het om verduurzaming gaat. Daarmee maakt de maatschappij een ‘dure keuze’.

Dat zegt Ton van Dril, beleidsonderzoeker bij Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), in een interview met Petrochem.

“Er gaan schepen met geld naar windenergie, elektrische auto’s worden volop gestimuleerd en er zijn peperdure maatregelen voor nieuwbouw”, zegt van Dril in het interview.

Daar heeft de econoom geen bezwaar tegen, maar hij stelt dat er met vergelijkbare investeringen in de zware industrie tien tot twintig keer meer duurzaamheidswinst is te behalen. "Het is een kwestie van ook, ook, ook."

Concurrentie en subsidie

In Nederland gaat 28 procent van de energie naar de industrie. Industriële bedrijven consumeren daarnaast gas en olie als grondstoffen, goed voor nog eens 17 procent van het totale verbruik in Nederland.

Petrochemische bedrijven hebben te kampen met internationale concurrentie en de overheid aarzelt om via energiebelastingen of verplichte besparingen innovatie in de sector af te dwingen.

Hoewel energiebesparing op lange termijn de marktpositie van de Nederlandse industrie verbetert, is de sector gewend aan terugverdientijden van hooguit twee jaar. Ook de angst voor ongeplande onderbrekingen van de continue productie remt de innovaties binnen de industriële sector.

Van Dril pleit daarom voor een regeling als de Stimulering Duurzame Energie (SDE+) om het besparingspotentieel in de industrie toch aan te spreken. Met een vergoeding vanuit de overheid op daadwerkelijk behaalde energiebesparingen zijn de investeringen te doen zonder verlies van de concurrentiepositie op korte termijn. Dat gebeurt bovendien buiten de strenge rendementseisen van aandeelhouders om. 

Bron: Petrochem, ECN | Foto: Rajeev, via Flickr Creative Commons (Cropped by Duurzaambedrijfsleven)