16-11-2012 09:36 | Door: Manon Entius

In 2015 gebruiken we in Nederland alleen maar duurzame palmolie. Maar is het wel zo duurzaam? Vooral de certificering van palmolieplantages blijkt een onduidelijke rol te spelen.

Als grootste palmolieproducent ter wereld verdient Indonesië miljarden euro’s per jaar. Maar terwijl de Indonesische kassa rinkelt horen milieu-instanties de alarmbellen afgaan. Palmolie draagt bij aan ontbossing en daardoor aan extra CO2-uitstoot. Ook heeft ontbossing grote impact op de leefomgeving van mens en dier. In Indonesië droeg ontbossing ten behoeve van palmolieplantages in 2010 bij aan een CO2-uitstoot van 140 miljoen ton. Dat is net zoveel als de jaarlijkse uitstoot van 28 miljoen auto´s.

Om de gevolgen van palmolieproductie te beperken wil Nederland in 2015 alleen nog maar duurzame palmolie gebruiken. Ook multinationals als Nestlé en Unilever erkennen de noodzaak en gaan in 2013 en 2015 helemaal over op duurzaam geproduceerde palmolie.

Wat duurzaam is wordt bepaalt door de Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie (RSPO), een samenwerkingsverband van bedrijven, ngo’s en overheden. De RSPO viert dit jaar haar tiende jubileum. Maar hoe duurzaam is duurzame palmolie eigenlijk? Welke garanties geeft certificering ons eigenlijk?

Dagelijks gebruik

Palmolie is een plantaardige olie uit de vruchten van de oliepalm. Er gaat geen dag voorbij zonder in aanraking komen met palmolie. Een zak chips, koekjes van Verkade of margarine van Blue Band – er zit allemaal palmolie in. Net als in veel andere producten die we in ons boodschappenmandje gooien zoals zeep en verzorgingsproducten. Ook wordt palmolie gebruikt voor de productie van biobrandstoffen.

De oliepalm groeit het beste in gebieden rond de evenaar. Ongeveer de helft van de wereldwijde palmolieproductie vindt plaats op de Indonesische eilanden Sumatra en Borneo (Kalimantan). Indonesië verdient hier veel aan, in 2010 zo’n € 8,4 mrd. Men ziet de nationale palmolieproductie de komende jaren daarom het liefst verdubbelen.

CO2-uitstoot

Maar alles heeft zijn prijs. Indonesië staat niet alleen in de top van palmolie producerende landen, maar ook in de top van grootste CO2-uitstoters in de wereld. In een recente publicatie wijten onderzoekers van Stanford en Yale dit aan ontbossing – ontbossing die niet alleen het gevolg is van de vraag naar tropisch hardhout, maar steeds vaker ten behoeve van palmolieplantages. Op Borneo is er sinds 1990 al meer dan 16.000 vierkante kilometer verloren gegaan aan de ontwikkeling van palmolieplantages. Dit is een oppervlakte van iets minder dan de helft van Nederland.

Voor de toekomst voorspellen onderzoekers van Stanford en Yale, die de Indonesische palmolieproductie in de jaren 1990-2010 bekeken, niet veel goeds. Verdere uitbreiding van de palmolieproductie draagt bij aan een CO2-uitstoot van meer dan 558 miljoen ton in 2020. Een hoeveelheid die groter is dan Canada’s jaarlijkse CO2-uitstoot.

Daarnaast worden veel palmolieplantages aangelegd in veengebieden. Als ontwaterde veenbodems gaan branden, veroorzaakt dat veel luchtvervuiling en CO2-uitstoot.

Certificering

Om ontbossing in Indonesië te stoppen en ervoor te zorgen dat palmolie op verantwoorde wijze geproduceerd wordt met oog voor mens, dier en milieu richtte Unilever in 2004 in samenwerking met plantagebezitters, fabrikanten, detailhandel, banken en ngo’s de wereldwijde Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie (RSPO) op. Unilevers directeur duurzame landbouw, Jan Kees Vis, is de huidige voorzitter van de raad van bestuur van de RSPO.

Door palmolie te certificeren wil de ronde tafel de duurzame productie van palmolie verzekeren. Als definitie van ‘duurzaam’ hanteert de RSPO acht principes en 39 praktische criteria. Denk hierbij aan sociale criteria zoals het borgen van de rechten van landeigenaren en de lokale gemeenschap. Ook zijn er milieucriteria zoals het verbod op het kappen van regenwoud ten behoeve van palmolieplantages en een verbod op het gebruik van chemicaliën.

Op dit moment is ongeveer 14 procent van de palmolie die wereldwijd geproduceerd wordt duurzaam volgens de criteria van de RSPO. Een groot deel van hiervan wordt verhandeld door middel van certificaten. Alleen plantages die volgens de RSPO-standaard zijn gecertificeerd kunnen certificaten aanbieden. Het systeem lijkt op dat van groene stroom.

Kritiek op certificering

De RSPO-certificering is niet zonder kritiek. Microbioloog en sociaal ondernemer Willy Smits woont en werkt al meer dan 25 jaar in Indonesië. In een interview met dagblad Trouw vertelt hij dat hij vooral weinig vertrouwen heeft in het naleven van de RSPO-criteria. "Certificering van palmolie werkt niet in landen waar corruptie nog welig tiert. Er is geen sprake van dat naleving van die wetten wordt afgedwongen. ''

Greenpeace zet ook vraagtekens bij het naleven van de criteria. “Certificaten garanderen niet dat er geen palmolie wordt gebruikt waarvoor bossen zijn gekapt,” aldus Greenpeace. Bedrijven zouden zich verschuilen achter de certificaten voor hun plantages die wel duurzaam zijn en ondertussen op andere plantages op oude voet verder gaan. De actieorganisatie publiceerde onlangs een rating van de duurzaamheidinspanningen van de elf grootste palmolieproducenten in de wereld. De rating laat zien dat slechts één bedrijf, het Braziliaanse Agropalma, daadwerkelijk over de hele linie inspanningen verricht om het regenwoud en veengronden te beschermen.

Certificaten garanderen niet dat er geen palmolie wordt gebruikt waarvoor bossen zijn gekapt. Greenpeace

Bedrijven die het RSPO-keurmerk willen krijgen hoeven nog niet op al hun plantages aan de criteria te voldoen. Wanneer de eerste plantage gecertificeerd wordt moet er echter wel een concreet plan liggen om ook de overige plantages klaar te stomen voor het RSPO-keurmerk.

De RSPO heeft verder een klachtenprocedure als een aangesloten palmolieproducent over de schreef gaat. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in het geval van Sinar Mas. De grootste palmolieproducent van Indonesië zou illegaal stukken regenwoud hebben gekapt ten behoeve van palmolieplantages. Dit is niet zonder gevolgen gebleven voor Sinar Mas. De beschuldigingen kostten de palmolieproducent belangrijke klanten als Unilever, Nestlé en Burger King. Sinar Mas is nog steeds lid van de RSPO maar heeft wel beterschap moeten beloven.

RSPO geen panacea

Johan Verburg zit namens Oxfam International in het bestuur van de RSPO. Verburg erkent dat de RSPO geen panacea is, “maar de RSPO heeft wel het potentieel om een belangrijk verschil te maken in de wereld en daarom verdient het onze aandacht, om het nog beter te maken. Certificering is daarbij een centraal onderdeel. Wel zijn er aanvullende mechanismes, zoals klachtenprocedures en dialoog op veldniveau zijn nodig.”

Volgens Verburg is er tijdens de afgelopen ronde tafel in oktober/november onder andere voortgang geboekt  met betrekking tot conflicten over land. Land grabbing, de aankoop van grote stukken land door buitenlandse bedrijven in ontwikkelingslanden,  is voor Oxfam Novib nu een centraal punt in de RSPO. De ngo strijdt voor oplossing van conflicten als gevolg van uitbreiding van nieuwe plantages. Lokale gemeenschappen spraken tijdens de conferentie met enkele grote bedrijven. Ook werd er volgens Oxfam gewerkt aan een faciliteit die verder kan bemiddelen bij landconflicten. Daarnaast is de manier waarop RSPO-leden verantwoording afleggen over hun plannen verbeterd.

Het Wereld Natuur Fonds, medeoprichter van de RSPO,  is minder positief over de uitkomsten van de recente ronde tafel. Volgens de natuurorganisatie houdt “een gebrek aan toewijding van veel RSPO-leden essentiële vooruitgang  in de richting van ecologische en sociale duurzaamheid tegen. Terwijl de RSPO terecht viert dat het aantal leden enorm gegroeid is en er meer gecertificeerde palmolie geproduceerd en gekocht wordt, zijn er ook velen op zoek naar net zulke indrukwekkende vooruitgang in het aantal RSPO-leden dat daadwerkelijk actie onderneemt”, aldus WNF delegatieleider Adam Harrison. Volgens de WNF-man zijn er nog steeds leden die geen rapportage hebben verstrekt en nog niet aan alle criteria voldoen.

Ook Unilever erkent dat de RSPO nog verder moet worden versterkt. Als een van de belangrijkste problemen waarmee de industrie geconfronteerd wordt noemt Unilever de traceerbaarheid van de palmolie. “Er is op dit moment geen goed systeem op zijn plaats om gecertificeerde palmolie van niet-gecertificeerde palmolie te scheiden”. Om dit probleem te ondervangen heeft Unilever al overeenkomsten gesloten met palmolieproducenten IOI en Sime Darby en voedingsmiddelenleverancier Cargill om duurzame palmolie apart naar Europa te verschepen. “Grote stappen voorwaarts,” aldus Unilever.

Vraag naar duurzame palmolie

Om een kostbaar systeem van het apart transporteren van duurzame palmolie rendabel te maken is het volgens Unilever van belang dat vraag en aanbod van duurzame palmolie in balans is. Volgens de Task Force Duurzame Palmolie, een initiatief van de Nederlands voedselindustrie, is dat op dit moment niet het geval. Hoewel de productie en de vraag van duurzame palmolie allebei toeneemt blijft de vraag nog achter bij het aanbod.  Er is hierdoor geen prikkel voor boeren om tot duurzame productie over te gaan.

Unilever, goed voor drie procent van het totale palmolieverbruik wereldwijd, en Nestlé – ook grootverbruiker van palmolie – hebben al toegezegd alleen nog maar gebruik te maken van duurzame palmolie. Dit is niet voldoende om de vraag naar duurzame palmolie op te drijven. Vraag en aanbod van duurzame palmolie zou beter in balans kunnen komen als ook Chinese en Indiase bedrijven, de grootste verbruikers van palmolie in de wereld, meer aandacht aan duurzaamheid in de bedrijfsvoering zouden besteden.

Het gepraat bij de RSPO geeft ons een vals gevoel dat het wel goed zit. Willy Smits, microbioloog en sociaal ondernemer

Ondanks inspanningen van bedrijven en NGO’s om de productie van palmolie te verduurzamen is Willy Smits niet overtuigd. “Al dat gepraat ook bij die RSPO. Het geeft ons een vals gevoel dat het wel goed zit. Ik ben zelf drie jaar betalend lid geweest van die RSPO, maar ik heb het opgegeven, omdat ik zag wat er gebeurde tijdens al dat praten en studeren. In het noorden van Kalimantan is aan de randen van het regenwoud de buit al verdeeld. Chinese handelaren en manschappen van het Indonesische leger maken daar grote stukken bos geschikt voor palmolieplantages.”

Alternatieven

Als palmolie zo omstreden is waarom gaan we dan niet op zoek naar alternatieven? Zo eenvoudig is  dit helaas niet. Palmolie heeft volgens Unilever en Oxfam Novib van alle plantaardige bronnen relatief de hoogste opbrengst. Unilever stelt dat de opbrengst van palmolie zelfs acht keer hoger is dan zonnebloemolie, zes keer hoger dan raapzaadolie en tien keer hoger dan sojaolie. Daarnaast heeft een oliepalm  per ton olie minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen nodig dan andere gewassen. Algen worden wel als alternatief genoemd, maar deze techniek staat nog in de kinderschoenen.

Een ander voordeel van palmolie is dat het vet in palmolie de eigenschap relatief hard te zijn met een hoog percentage verzadigde vetzuren. Dit is belangrijk voor de structuur van het product. Hierdoor smelt dat ene snoepje misschien net wat lekkerder op je tong, en smeert die ene douchegel net wat lekkerder op je huid.

Een eerste stap

Hoe duurzaam is duurzame palmolie? De conclusie is ontnuchterend en kenmerkend voor de staat van duurzaam ondernemen. De wil is er, vooral bij bedrijven als Unilever en Nestlé. Toch is de waarheid weerbarstig. Niet alleen externe organisaties, maar zelfs de partijen die aan tafel zitten bij de RSPO hebben kritiek. Gevaarlijk wordt het als een duurzaam initiatief als afleidingsmanoeuvre dient om geen werkelijke actie te ondernemen.

De RSPO heeft positieve implicaties, maar is op dit moment geen garantie voor duurzame palmolie.  Maar een lange reis begint met de eerste stap. De vraag is hoe lang hebben we nog om deze reis te maken?

Foto: Ramesh Oilmills via Flickr.com