19-12-2015 10:12 | Door: Chris Thijssen

Om de groeiende wereldbevolking te kunnen voeden, moet niet alleen de kwantiteit, maar ook kwaliteit van voedsel omhoog. Diëtisten kunnen hier op kleine schaal aan bijdragen, door zowel consumenten als voedingsproducenten te adviseren over goede en duurzame voeding.

Het voeden van de groeiende wereldbevolking is volgens Annemieke van Ginkel, Directeur van Diëtheek, een groot vraagstuk. Een oplossing ligt dan ook niet voor het grijpen. “Het is al moeilijk om hier in Nederland mensen de juiste voeding te laten consumeren”, zegt ze.

Het geven van het juiste voedingsadvies, daar houden Van Ginkel en haar collega’s zich dagelijks mee bezig. Maar goede voeding, wat is dat nu eigenlijk? “Er gelden een aantal algemeenheden. Zo moet een dieet voldoende eiwitten, vitaminen, mineralen en calorieën bevatten”, legt Van Ginkel uit. “In Nederland houden we ons voor de juiste hoeveelheden hiervan aan de Richtlijnen goede voeding, die zijn opgesteld door de Gezondheidsraad. Op wereldniveau houden instanties als de World Health Organization (WHO) en de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties zich daarmee bezig.”

Annemieke van Ginkel

Onlangs maakte de Gezondheidsraad, het belangrijkste adviesorgaan van de minister van Volksgezondheid, nieuwe Richtlijnen goede voeding bekend. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de laatste wetenschappelijke bevindingen over voeding en gezondheid, bedoeld om welvaartsziektes, zoals diabetes en hoge bloeddruk, te voorkomen. Met de nieuwe richtlijnen adviseert de Gezondheidsraad volgens een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon te eten.

Zo zouden we dagelijks ten minste 200 gram groente en 200 gram fruit moeten eten en 90 gram volkorenproducten. Daarnaast adviseert de raad om wekelijks peulvruchten en dagelijks een handje noten te nuttigen. Een keer per week vis zou daarnaast voldoende zijn, bij voorkeur vette vis. De overige adviezen richten zich onder meer op de inname van suiker en zout.

Duurzame keuzes

“Van deze richtlijnen maakt het Voedingscentrum een vertaalslag naar de consument”, legt Van Ginkel uit. “Dat doet ze bijvoorbeeld met de Schijf van Vijf. Daaruit komt vervolgens het advies voor een grote groep consumenten voort. Het Voedingscentrum richt zich met deze adviezen op groepen mensen, zoals kinderen, zwangere vrouwen en ouderen.”

Diëtisten vertalen de adviezen van het Voedingscentrum en de Gezondheidsraad vervolgens naar hun cliënten, zegt Van Ginkel. “Omdat cliënten individuele behoeften hebben, wordt er een dieet op maat gemaakt. Hierbij wordt gekeken naar wat een cliënt normaal gesproken eet en wat diegene nodig heeft op basis van zijn eigen behoeften.”

Deze adviezen zijn met name gericht op gezondheid, voedingsstoffen en vitaliteit, maar volgens Van Ginkel kunnen diëtisten ook een rol spelen bij het stimuleren van duurzame keuzes. “Veel diëtisten wijzen hun cliënten ook op de mogelijkheid de voedingsmiddelen uit hun dieet bij lokale aanbieders te kopen. Bovendien is de keuze voor plantaardig in plaats van dierlijk al een duurzame keuze op zichzelf.”

Diëtisten adviseren niet alleen consumenten, maar zijn ook actief in de voedingsindustrie. “Ze worden onder meer betrokken bij de ontwikkeling en labeling van producten. Een diëtist bekijkt bijvoorbeeld of een product past binnen de Richtlijnen goede voeding en of een producent meer grondstoffen kan gebruiken die de gezondheid bevorderen.”

“Wij proberen werknemers bewust te maken van het belang van goede voeding en beweging"

Vitale werknemers

Naast voedingsmiddelenproducenten kunnen diëtisten ook werkgevers uit andere sectoren adviseren. Het gaat dan niet om de ontwikkeling van gezonde producten, maar over de vitaliteit van werknemers. Verschillende bedrijven starten programma’s om hun werknemers een gezondere levensstijl bij te brengen. Van Ginkel is zelf ook betrokken bij dit soort programma’s.

“Vitaliteit op de bedrijfsvloer is enorm belangrijk. Mensen moeten langer werken, en liefst ook gezonder, want gezondere werknemers zijn productiever”, legt ze uit. “Bovendien kost het een werkgever minder als zijn personeel minder ziek is.”

Volgens Van Ginkel zijn er diverse programma’s om personeel aan de gezonde lunch of op de loopband te krijgen. Zo kunnen werkgevers kiezen voor een gezonder aanbod in de bedrijfskantine, of voor periodieke gezondheidsonderzoeken bij werknemers.

Daarnaast is er in veel programma’s aandacht voor de Bravo-factoren: bewegen, roken, alcohol, voeding en ontspanning. “Wij proberen werknemers bewust te maken van het belang van goede voeding en beweging. Zorg dat je tijdens de lunch wandelt, gedurende dag voldoende drinkt, en in het bedrijfsrestaurant kiest voor gezonde producten.”

Van Ginkel merkt dat er bij bedrijven meer bewustwording is van het belang van gezonde werknemers, maar dat er in het algemeen nog te weinig aandacht voor is. “We zien dat vooral multinationals investeren in vitaliteitsprogramma’s, maar in het mkb worden die vaak nog gezien als kostenpost. Met de financiële crisis nog maar net achter de rug, is dit natuurlijk ook begrijpelijk.” Daarnaast leeft volgens de diëtist onder werkgevers de vraag in hoeverre zij zich moeten en kunnen bemoeien met het gedrag van hun werknemers.

Algen en insecten

Van Ginkel heeft echter vertrouwen in een toekomst vol gezonde voeding. Zo nemen bijvoorbeeld ook supermarkten volgens Van Ginkel steeds meer verantwoordelijkheid als het gaat om het aanbieden en promoten van gezonde voeding in hun winkels. Al is het niet hun hoofdtaak: “Er is altijd een spanningsveld tussen de verantwoorde keuze en de verkoop van andere producten.”

Toch zouden supermarkten een rol kunnen spelen bij het laagdrempeliger maken van vreemde, maar belangrijke voedingsmiddelen, zoals algen, zeewier en insecten. “Ik zie veel kansen voor deze eiwitrijke producten”, zegt van Ginkel. “Ik denk echter dat het nog wel een paar jaar duurt voordat deze voedingsmiddelen zijn ingeburgerd. Nu zijn mensen er nog niet aan gewend; onbekend maakt onbemind. Door consumenten er mee in aanraking te brengen – bijvoorbeeld in supermarkten – wordt het eten ervan waarschijnlijk laagdrempeliger.”

Foto: Hoofdfoto: U.S. Department of Agriculture, via Flickr Creative Commons (Cropped by DuurzaamBedrijfsleven), In tekst-foto: Annemieke van Ginkel (Cropped by DuurzaamBedrijfsleven)