04-06-2020 16:41 | Door: Jaime Donata

Kan je winst maken met duurzame landbouw? Als we zouden afgaan op het nieuws van de afgelopen maanden lijkt het niet zo te zijn. Maar Staatsbosbeheer helpt boerenbedrijven om over te schakelen naar extensieve vormen van landbouw die ook nog rendabel zijn. Vorige week werd de achtste overeenkomst gesloten binnen het Staatsbosbeheer-programma “Natuurinclusieve Landbouw”.

Duurzaam landbouwen vergt de nodige aanpassingen en langdurige committement van een agrarische ondernemer. En ondertussen moet het boerenbedrijf economisch levensvatbaar blijven. Een uitdaging waar boeren best wat hulp bij kunnen gebruiken.

Daarom kreeg Staatsbosbeheer vorig jaar de opdracht vanuit het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om 40 Nederlandse agrarische ondernemers te vinden die bereid waren om de uitdaging aan te gaan en hun bedrijfsvoering om te schakelen naar een meer natuurinclusieve vorm van landbouw.

Natuurinclusief pachten bij Staatsbosbeheer

Marcel van Dun, woordvoerder van Staatsbosbeheer: “Het idee is dat wij met Staatsbosbeheer onze grondpositie meer gaan inzetten om Nederlandse boeren de fysieke ruimte te bieden om minder intensief te landbouwen. We verpachten nu in heel Nederland zo’n 50.000 hectare grond aan boeren. Normaal verpachten wij onze weidegronden in periodes van maximaal zes jaar, waarbij per jaar bekeken wordt of er een jaar verlengd kan worden."

Deze korte pachtovereenkomsten geven Staatsbosbeheer de zekerheid dat het steeds mogelijk blijft om goed bij te sturen.Van Dun: “In het nieuwe programma leggen wij onszelf met Staatsbosbeheer vast in pachtovereenkomsten van 12 jaar. Dat maakt het wel spannend, zowel voor ons als voor de agrarische ondernemers die meedoen.”

Aanpassingen

Boeren die zich committeren aan natuurinclusief pachten van Staatsbosbeheer krijgen dus de aantrekkelijke zekerheid van een langdurige pacht. Daarnaast kunnen ze deelnemen aan studieclubs of praktijkproeven. Maar er zijn ook voorwaarden. Van Dun: “Denk aan een maximaal aantal koeien per hectare, eisen aan het soort mest dat gebruikt mag worden, of vaker nog dat de boer helemaal geen mest mag gebruiken, bepaalde periodes waarin koeien mogen grazen, maar ook afspraken over wanneer er wel of niet gemaaid mag worden."

Boeren willen graag vaak maaien omdat het gras wordt gebruikt als voer. Maar op de weiden van Staatsbosbeheer groeien ook allerlei weidebloemen die ze een kans willen geven. Daarom mag er pas gemaaid worden na het broedseizoen, dat meestal pas afloopt op 1 of 15 juni. Natuurinclusief pachten van Staatsbosbeheer betekent dus: rekening houden met lokale flora en fauna.

Van intersieve naar extensieve landbouw, is het mogelijk?

Naast afspraken over minder stikstofuitstoot en minder maaien, worden boeren die meedoen aan het project ook geholpen om op een bredere manier te kijken naar duurzaamheid. Van Dun: “In overleg met de lokale boswachter kan bijvoorbeeld besloten worden vogelhuisjes op het erf op te hangen, of een steile wand te maken voor oeverzwaluwen, of vlotjes op het water voor de zwarte stern waardoor de biodiversiteit op het land toeneemt. Eén van de deelnemers haalt sinds kort de stro voor zijn stal uit een natuurgebeid in de buurt in plaats van het te importeren uit Frankrijk.”

De afgelopen maanden tekenden al zeven boerenbedrijven in op het project van Staatsbosbeheer: veeboeren, akkerbouwers en ook een agrarische ondernemer die zich richt op eco-recreatie. Deelnemers worden gezocht in alle landbouwsectoren en in alle provincies. Van Dun: “Wij hebben de afgelopen maanden boeren gevonden uit Overijssel, Drenthe, Utrecht en Zuid-Holland – en vorige week tekenden we een overeenkomst met Albert Hassink, een gemengde vlees- en melkveehouder uit Gelderland.” Het is de bedoeling van Staatsbosbeheer om dit jaar twintig boeren te vinden die meer willen doen. Dit aantal moet dan volgend jaar verdubbeld worden naar veertig.

Er zitten niet per se economische voordelen aan een overeenkomst met Staatsbosbeheer. Wat bewoog veehouder Hassink en zijn familie om deel te nemen in het project van Staatsbosbeheer? “Mijn familie heeft hier al generaties lang een melkveehouderij aan de IJssel en sinds een paar jaar ook een vleesveehouderij. Ons doel is niet om in zo kort mogelijke tijd een zo’n hoog mogelijk rendement uit de koeien te halen. Wij willen wij liever over tien jaar een bedrijf hebben dat in balans is met de natuurlijke omgeving. Staatsbosbeheer gaat ons hierbij helpen door de looptijd van ons oude pachtcontract voor de aanpalende weidegrond te verhogen naar twaalf jaar en uit te breiden met nog eens 29 hectare extra grond.” Het doel: kringlooplandbouw gaan bedrijven die ook economisch rendabel is.

Lokaal veevoer

Wat dat in de praktijk betekent? Bijvoorbeeld, de ambitie waarmaken om het voer voor de koeien zoveel mogelijk op het eigen bedrijf te verbouwen. Hassink: “Dankzij de extra grond van Staatsbosbeheer kunnen wij straks extra gaan beweiden. Naast voederbieten en maïs, gaan we ook meer eiwitrijke grassen en luzerne telen waarmee grasbrok en hooi wordt gemaakt, waardoor we steeds minder krachtvoer niet meer extern hoeft te worden ingekocht.”

Daarnaast zet Hassink zich de komende jaren in voor het verhogen van de biodiversiteit op zijn percelen. Zo wordt er een parkbos en een productiebos beheerd, maar ook verschillende poelen, verlaagde oevers, houtwallen en struwelen. En er worden beschermende maatregelen getroffen voor de zwaluwen op het erf.

Hassink ziet zeker toekomst in rendabele, betaalbare, natuurinclusieve landbouw. Maar een duurzame agrarische sector is alleen levensvatbaar als er iets gaat veranderen in de mindset van boeren én consumenten: “Ik heb zelf ook gedemonstreerd tegen de huidige kabinetsplannen rondom de verduurzaming van de landbouw, omdat die steken laat vallen. Zeker, er moet iets veranderen in de manier waarop we in Nederland omgaan met agrarisch ondernemen – maar het is de consument die de sleutel in handen heeft.”

Landbouwcoöperaties

Hassink is ervan overtuigd dat het mogelijk is om in Nederland op een duurzame manier landbouw te bedrijven en tegen prijzen die kunnen concurreren, als de consument zijn groente en vlees bij lokale boeren gaat kopen in plaats van in de supermarkt: “Ons voedsel hoeft niet van de andere kant van de wereld te komen – en zelfs niet uit de andere kant van het land. Het meeste voedsel in dit land is beschikbaar binnen een straal van 32 kilometer. Wij, boeren en burgers, moeten deze omschakeling gaan maken in ons denken – en daar ook slimme distributiekanalen voor opzetten.”

Lees ook: Ons interview met HAK, dat veel van zijn producten lokaal teelt

Hassink verkoopt zijn vlees zelf vanuit een eigen boederijwinkeltje en via een webshop. Maar zijn vlees is ook verkrijgbaar in lokale winkels en in twee supermarkten uit de omgeving. Ook is Hassink aangesloten bij de coöperatie Boerenhart, die zich richt zich op de lokale horeca.

Willem Doorn, komkommerteler in Heerde is de voorzitter van de coöperatie: “De coöperatie Boerenhart Veluwe IJsselvallei is september vorig jaar opgericht, eigenlijk hebben we het idee gekopieerd van de Gelderse vallei hiernaast.” De coöperatie telt 12 leden: onder andere een kippenboer, een varkensboer, groente- en fruittelers, het veebedrijf van Hassink, maar ook een slager en een bakker die de producten verwerkt en aanbiedt.

Doorn: “Meer leden willen we er ook niet bij hebben. Wij bieden met de huidige club alles aan wat de consument nodig heeft.” Toch levert de coöperatie alleen aan lokale horeca en bedrijfskantines. De logistieke kosten die komen kijken bij het direct benaderen van consumenten zijn op dit moment te hoog om concurrerend te zijn op de consumentenmarkt.

De echte prijs van voedsel

Toch is Doorn het eens met Hassink dat de sleutel voor een duurzame rendabele landbouw ligt bij de consument: “De Europese consument is gewend geraakt aan kunstmatig lage voedselprijzen. We hebben als producenten te maken met wereldmarktprijzen. Grote inkopers zoals de families Schwartz en Albrecht van de LIDL en de Aldi werken niet met boeren zelf, alleen met tussenhandelaren die elkaar kapotconcurreren op een zo laag mogelijke prijs. En dat geeft een sneeuwbaleffect, want de wat duurdere service-supermarkten willen eigenlijk dezelfde voedselprijzen bieden als de budgetsupermarkten.”

De boer is de sluitpost in deze dynamiek. De prijs die een teler zou moeten krijgen voor een komkommer, zou ongeveer 30 cent moeten zijn. Maar al weken kopen supermarkten hun komkommers nu in voor onder de 10 cent. Doorn: “Dat is de onderhandelingsmacht van de grote retailers. Uiteindelijk ligt een komkommer dan voor 59 cent in de schappen, maar de boer houdt weinig tot niets over aan zijn product. In de zuivel en eigenlijk met alle agrarische producten gaat het precies zo. Een supermarkt als Jumbo wil dan wel groente en fruit dat 'planetproof' is, maar de boer krijgt de allerlaagste prijs. anders gaan ze naar een concurrent.”

Wie kan de supermarkten dwingen om kleinere marges te hanteren? Volgens Doorn niemand: “Je moet de consument opvoeden, daar begint het. Gezond en duurzaam voedsel verbouwen kost geld. En dat geld is er alleen maar als de consument de boeren ook wat gunt.”

Online

Sinds kort kunnen Gelderse consumenten de duurzame producten van coöperatie Boerenhart Veluwe IJsselland ook bestellen via Puur Dichtbij, een lokale bezorgdienst, en ook is er een samenwerking met Boerenbox, waarin je een geselecteerd aantal producten krijgt geleverd. Wel is het zo dat Puur Dichtbij pas kostendekkend kan leveren bij bestellingen vanaf 35 euro. En volgens Doorn kan (of wil) slechts een beperkt deel van de bevolking deze reële prijzen betalen voor duurzaam eten.

Hassink is optimistischer over de toekomst: “Als we de neuzen alleemaal dezelfde kant op krijgen – boeren, burgers en natuurorganisaties – dan kunnen we samen toewerken naar een duurzame, eerlijk en betaalbare voedselvoorziening in Nederland."

Lees ook: Online dorpsplein doet goede zaken tijdens coronacrisis

Bron: Staatsbosbeheer | Beeld: Adobe Stock