04-09-2018 18:30 | Door: Rianne Lachmeijer

De klimaattransitie dient zich aan. Hoe deze precies vorm krijgt is nog onbeslist, maar dat het bedrijfsleven aan de bak moet is overduidelijk. “Er is uiteindelijk geen plaats meer voor bedrijven die niet serieus aan de slag gaan met duurzaamheid. Daarvoor geldt: einde oefening.”

In zijn rol als oud-milieuminister, voorzitter van de borgingscommissie van het energieakkoord en nu als voorzitter van het Klimaatberaad, houdt VVD-er Ed Nijpels al jarenlang de duurzame ontwikkelingen in de gaten. “De vraag is niet of de klimaattransitie gaat plaatsvinden, maar hoe snel men gaat”, aldus Nijpels. Als voorzitter van het klimaatberaad ziet hij toe op de voortgang die aan vijf verschillende ‘sectortafels’ wordt geboekt bij de concrete invulling van het Klimaatakkoord.

ed nijpels Als Nijpels het over de klimaattransitie heeft dan doelt hij op het uitvoeren van het Klimaatakkoord van Parijs: een broeikasgasreductie van 95 procent in 2050 ten opzichte van 1990. Om daaraan te voldoen stelt Nederland in het Klimaatakkoord een tussendoelstelling: een CO2-reductie van ten minste 49 procent in 2030. Die tussendoelstelling vergt een flinke verandering. “Dat betekent een complete verbouwing van Nederland”, stelt Nijpels.

De voorzitter van het Klimaatberaad vervolgt: “Eigenlijk is het de meest ingrijpend verandering van na de Tweede Wereldoorlog. Veel groter dan dat we Nederland destijds moesten klaarmaken voor het aardgas. Dit is een transitie die op ieder maatschappelijk terrein ingrijpt.”

Stel, eind dit jaar is het Klimaatakkoord rond. Wat betekent dat dan concreet voor het bedrijfsleven?

“Dat betekent dat het bedrijfsleven als de wiedeweerga aan de slag moet. En voor een bedrijf waar de investeringsbeslissingen worden genomen in een hoofdkantoor in Houston is dat ingewikkelder dan voor een bedrijf waar 50 mensen werken en dat alleen maar vestigingen heeft in Nederland, maar allebei moeten ze het doen.”

Is de klimaattransitie vooral een kans of uitdaging voor het bedrijfsleven?

“Allebei. Het is een kans omdat we als Nederland in feite een voorsprong nemen op andere landen. Het is niet zo dat we in Nederland meer gaan doen, maar we doen het eerder. Dat betekent dat we een concurrentievoordeel kunnen krijgen, want andere landen moeten ook maatregelen gaan nemen. Daarmee is het een geweldige economische kans voor het bedrijfsleven.

'Als Nederland nemen we in feite een voorsprong op andere landen'

Als Nederlandse bedrijven technologie uitvinden die je ook in andere landen kunt gebruiken dan kan dat een bijdrage leveren aan de economische groei van Nederland. Tegelijkertijd is het een uitdaging, omdat het wel ingewikkeld is: je moet technologie bedenken en durven investeren. Het is niet zo dat een bedrijf op een knop kan drukken en het dan klaar is.”

In hoeverre is er sprake van een strijd tussen verduurzaming en winst maken?

“Domme mensen in het bedrijfsleven zeggen dat er een strijd bestaat en de verstandige mensen zeggen dat de weg naar duurzaamheid onontkoombaar en maatschappelijk noodzakelijk is. Je hebt als bedrijf geen bestaansrecht meer als je de bedrijfsvoering niet binnen een aantal jaren weet  te verduurzamen. Bedrijven die dat niet lukt, gaan stuk voor stuk verdwijnen. Dat kun je zien als een waarschuwing voor het bedrijfsleven. Er is uiteindelijk geen plaats meer voor bedrijven die niet serieus aan de slag gaan met en duurzaamheid. Daarvoor geldt: einde oefening.”

Welke handvatten vindt u dat de overheid aan het bedrijfsleven moet bieden?

“Er zijn drie dingen die de overheid moet doen. Eén, de overheid moet helderheid scheppen over het doel. In het regeerakkoord staat 49 procent CO2-reductie, in de Klimaatwet komt 49 procent te staan en in de opdracht aan de klimaattafels staat ook 49 procent; dus dat doel is helder. Daar kan geen discussie meer over bestaan; geen gemier, die 49 procent staat als een paal boven water.

Twee is het hele complex van wet- en regelgeving, zowel in de dwingende als in de faciliterende zin. Soms moet de overheid helpen door regelgeving in te voeren en soms is het zo dat regelgeving eigenlijk niet meer past bij de klimaattransitie; dan moet je de regels aanpassen.

En het derde is subsidie. Soms moet het bedrijfsleven worden geholpen met subsidie om ze over een drempel heen te helpen. Maar per definitie is subsidie altijd een tijdelijke zaak als het nou geldt voor de energietransitie, de klimaattransitie of voor iets anders.”

Aan de energietafel ligt een voorstel voor CO2-beprijzing. Bij de industrietafel tot nog toe niet, omdat dit de concurrentiepositie zou aantasten. Wat vindt u daarvan?

“Ik vind dat het bedrijfsleven soms weleens te gemakkelijk dat concurrentie element naar boven haalt. Ik begrijp vanuit tactisch opzicht dat ze dat doen maar uit internationaal onderzoek blijkt dat als je milieumaatregelen treft dat maar zelden leidt tot verplaatsing. Het gebeurt wel, maar dat is zelden. En dat is ook logisch, want een bedrijf die miljarden heeft geïnvesteerd in een plant in Rotterdam gaat niet zomaar vertrekken. 

'Je kunt het bezwaar tegen een CO2-heffing eenvoudig neutraliseren'

Ik ben niet blind voor het argument van level playing field, maar ik vind dat het nog weleens te makkelijk uit de kast wordt getrokken om maatregelen af te houden. Overigens kun je het bezwaar van het bedrijfsleven tegen een CO2-heffing eenvoudigweg neutraliseren door het geld  weer terug te geven aan het bedrijfsleven voor investeringen. Daarmee help je de voorlopers en daarmee kun je het in ieder geval op macroniveau neutraal maken.”

Het bedrijfsleven moet in de volle breedte aan de slag met de klimaattransitie, merkt u dat de houding ten opzichte van verduurzaming verschilt per segment?

“Dat verschilt heel sterk, neem een bedrijf als DSM. DSM is een van de bedrijven die internationaal vooroploopt als het gaat om de duurzaamheid, niet op de laatste plaats omdat ze een CEO hebben die op dat punt naam en faam heeft. Je hebt ook de Dutch Sustainable Growth Coalition, een coalitie van acht bedrijven waaronder Philips die in het kader van de klimaatdiscussie ook pleiten voor een reële CO2-prijs. En je hebt natuurlijk bedrijven waar het verdienmodel juist de klimaattransitie is. Dus je hebt ze in alle soorten, maten en gradaties.

 Het moeilijkste is dikwijls de energiebesparing voor de wat kleinere bedrijven die vallen onder de wet milieubeheer en maatregelen moeten treffen. Die bedrijven hebben 1,5 man en een paardenkop werken, dus die hebben wel wat anders aan hun hoofd dan energie besparen.”

Hoe kan de overheid deze kleine bedrijven helpen?

“De overheid helpt die kleine bedrijven bijvoorbeeld door voor sectoren lijsten te maken met voorbeelden van maatregelen die bedrijven moeten treffen. Als ze die invullen op de website voldoen ze automatisch aan de wettelijke verplichting en dan krijgen ze ook niemand op bezoek.

Overigens geldt dat de twaalf grootste bedrijven in ons land bij elkaar ongeveer 75 procent van de industriële CO2-emissies veroorzaken. Als je die twaalf bedrijven aan tafel hebt en afspraken kunt maken, dan maak je meters.”

Tegelijkertijd kun je stellen dat deze bedrijven vervuilen om aan de behoefte van de maatschappij te voldoen. In hoeverre is het rechtvaardig de taak bij hen neer te leggen?

“Het verhaal is onthutsend eenvoudig eigenlijk: Aan het eind van het avontuur betalen wij het altijd als burgers, want alles zit verdisconteerd in de prijzen. Als het nou gaat om de auto, om deze beker of om deze zoetjes. In de eindprijs zitten allerlei verschillende elementen: daar zit de winst in, daar zitten de investeringen in en daar zitten ook de maatregelen in die het bedrijf moeten nemen voor het milieu. Dus daarom is het een diffuse discussie of het bedrijfsleven of de burger betaalt. Uiteindelijk betaalt de burger tenzij het bedrijfsleven de winst vermindert.”

In hoeverre moet de arbeidsmarkt een transitie doormaken?

“Dat is een groot knelpunt. Er zijn op dit moment 250.000 slecht vervulbare vacatures. Dat betekent dat die arbeidsmarkt een belemmering dreigt te worden voor die energietransitie. We hebben zowel denkwerk als handjes nodig om het werk te kunnen doen. Dat geldt overigens niet alleen voor de energiesector, maar alle sectoren. De SER is al door het vorige kabinet gevraagd om een advies uit te brengen over werkgelegenheid en energiebeleid.”

Wat staat er in dat advies?

“Dat er zal moeten worden geïnvesteerd in her- om- en bijscholing. En in het kader van het klimaatakkoord is er ook een taakgroep ingesteld onder leiding van de voorzitter van de SER waarin samen met de vakbeweging, de werkgevers en de departementen plannen worden uitgewerkt. Dus daar wordt aan gewerkt, maar het is voor mij wel een van de grootste zorgen bij de uitvoering van een klimaatakkoord.”

Welke sectoren maken op dat vlak al stappen?

“De industrie is al dikwijls zelf bezig met het organiseren; die zijn in overleg over bepaalde mbo- en hbo-opleidingen. De installatiewereld moet er ook voor zorgen dat mensen worden opgeleid. Zij waren ook betrokken bij het energieakkoord. In het begin presteerden ze goed, daarna zwakte het af, maar ze pakken het nu goed op. De installatiewereld is een heel goed voorbeeld van een branche die de problemen nu zelf aanpakt.

De bouw zou een voorbeeld kunnen nemen aan wat de installatiesector doet. De bouw is altijd geneigd om bij ieder probleem te kijken naar de overheid als een grote oplosser, maar de bouw moet ook zelf aan de slag.”

Van 1986 tot 1989 was u minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu. In hoeverre heeft duurzaamheid sinds die tijd een verandering doorgemaakt?

“In mijn ogen, vanuit mijn oude verantwoordelijkheid als milieuminister, is het allemaal veel te langzaam gegaan. In 1989 was ik als minister verantwoordelijk voor de eerste wereldwijde Klimaatconferentie op ministersniveau. We zijn nu twintig jaar verder. Ik vind dat het wel heel erg langzaam is gegaan na die tijd, want de problemen waren in 1989 ongeveer wel bekend.

Tegelijkertijd weet ik ook dat een psychologische verandering in het hoofd van de mensen heel ingewikkeld is. Mensen laten beseffen hoe ernstig de veranderingen van het klimaat zijn, dat kost tijd.”

In het Klimaatakkoord op hoofdlijnen wordt benadrukt dat de bereidwilligheid van de burger cruciaal is, maar is het niet eens tijd dat de politiek zegt: Klimaatverandering is een groot maatschappelijk probleem dat we gewoon gaan aanpakken?

“Daar ben ik het helemaal mee eens. Vandaar ook dat dit kabinet heeft gezegd dat ze 49 procent CO2 gaan reduceren en wij vanuit het klimaatakkoord voorstellen zullen aandragen die moeten optellen tot die 49 procent. Het kabinet zou een slechte beurt maken als het opeens zou afwijken van die 49 procent, want dat hebben ze al een aantal keren in verschillende stukken vastgelegd. Daar nu op terugkomen maakt het kabinet politiek ongeloofwaardig.

'Draagvlak is dikwijls een vluchtheuvel voor bange politici' 

Ik vind dat er draagvlak moet zijn bij de mensen, maar ik vind dat draagvlak dikwijls een vluchtheuvel is voor bange politici. Politici roepen heel snel draagvlak, terwijl ze eigenlijk bedoelen dat ze tegen de maatregel zijn. Je kunt maatregelen niet door de strot van mensen duwen, maar soms moet de overheid ook paal en perk stellen.

Wij vinden het bijvoorbeeld heel normaal dat we in het verkeer allemaal beperkingen hebben. En als je dat vergelijkt met de gevolgen van de klimaatproblematiek dan kan het niet zo zijn dat we ieder jaar een miljard steken in het verhogen van de dijken om ons te beschermen tegen de verandering van het klimaat en vervolgens niks doen aan de oorzaak. We zijn de vrijblijvendheid voorbij.”

Aan vijf sectortafels spraken het bedrijfsleven, de overheid en maatschappelijke organisaties over de invulling van het Klimaatakkoord. DuurzaamBedrijfsleven sprak met de voorzitters van alle vijf de tafels:

Afbeelding: Adobe Stock | Portretfoto's: SER door Christiaan Krouwels