07-08-2020 12:38 | Door: Redactie DuurzaamBedrijfsleven.nl

Hoe bewerkstelligen we de transitie van fossiele naar duurzame energie? Sommigen zeggen: via engagement van de financiële sector met de fossiele sector. Dat levert fraaie publieke statements op. Maar het leidt niet tot transitie. Integendeel: engagement houdt de status quo in stand, terwijl er urgent grote, ingrijpende veranderingen nodig zijn. Desinvesteren uit fossiele energie en investeren in duurzame energie is de enige oplossing, schrijft duurzaamheidsmanager Pieter Sprengers van ASN Bank.

Het schiet nog niet op. Recente klimaatstudies en de klimaatconferentie van 2019 in Madrid laten allemaal hetzelfde zien: we gaan de verkeerde kant op. De hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer is niet alleen toegenomen, maar harder gegroeid dan ooit. Zelfs de coronacrisis blijkt hierin geen verandering te kunnen brengen. Het lijkt wel alsof de klimaatcrisis in een parallel universum met enorme bedrijvigheid wordt aangepakt, terwijl in de feitelijke wereld de broeikasgasemissies verder toenemen.

We zijn zelfs nog niet begonnen ze terug te dringen. Met de huidige beloftes van landen zitten we strak op koers voor ruim 3 graden mondiale opwarming. Eigenlijk is 4 graden een betere inschatting, want realiteit en beloftes lopen uiteen, zoals de Urgenda-zaak in Nederland laat zien. Een radicale aanpak is nodig. Maar wie dat hardop zegt hoort alleen de haalbaarheidsargumenten, de ‘we doen al veel’-redenen en de ‘heb geduld’-geruststellingen. Het schiet dus niet op. Daar kunnen we echter snel verandering in brengen. Het is tijd om ons beeld 180 graden te draaien. Radicale klimaatoplossingen worden het nieuwe normaal.

Sleutelpositie dankzij ons geld

In 1995 stond ik aan de wieg van de VBDO, de Nederlandse Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling. Sindsdien werk ik aan de rol die de financiële sector kan spelen om een duurzame samenleving te creëren die minder afhankelijk is van fossiele energie. Volgens mij heeft de financiële sector een sleutelpositie doordat zij beslist wat er gefinancierd wordt met ons spaar-, beleggings- en pensioengeld. De VBDO mobiliseerde beleggers om op de aandeelhoudersvergaderingen hun stem te laten horen over duurzaamheid. Dat heeft successen opgeleverd, vooral als het gaat om transparantie. Ook bij de fossiele sector. Maar tot nu toe is het daarbij gebleven. Veel woorden en beloftes, maar in de echte wereld zijn fossiele bedrijven geen steek veranderd. Ze zijn alleen maar meer kolen, olie en gas gaan produceren. 

Energiesector laat het wereldwijd afweten

Waar komt de toename van broeikasgassen in de atmosfeer vandaan? De fossiele-energiesector (vooral kolen, gas en olie) levert verreweg de grootste bijdrage aan de primaire uitstoot van broeikasgassen wereldwijd: in 2017 ongeveer 63%, gerekend in CO2-equivalenten. Dit gaat om fossiele energie voor elektriciteit, vervoer en verwarming. De overige emissies worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de sectoren land- en bosbouw.

Om aan de klimaatafspraken van Parijs te voldoen moet de fossiele-energiesector de emissies in 2050 met 70% hebben gereduceerd. En in 2070 mag de sector geen emissies door verbranding van fossiele brandstoffen meer uitstoten (zie kader CO2-budget). Dat staat in het Sustainable Development Scenario (SDS) van het Internationale Energieagentschap (IEA). Gaat de sector dat redden? Ik denk dat er twee mogelijkheden zijn. Of fossiele-energiebedrijven bestaan in 2070 niet meer. Of ze zijn getransformeerd tot producenten van duurzame energie.

Vooral op korte termijn moeten de emissies snel afnemen, volgens het IEA met 42% in 2030 ten opzichte van 2017. Klein lichtpuntje is dat de uitstoot van broeikasgassen door de fossiele sector wereldwijd in 2019 niet is gestegen ten opzichte van 2017 en 2018, vooral dankzij duurzame elektriciteitsopwekking. De lockdown vanwege corona zorgt er waarschijnlijk voor dat de emissies in 2020 8% minder zijn dan in 2019. Maar om onder een temperatuurstijging van 1,5 graden te blijven, moeten we wereldwijd tot 2030 elk jaar bijna 8% minder uitstoten. 

De uitdaging is de uitstoot substantieel naar beneden te brengen. Maar de fossiele-energiebedrijven gaan verder alsof er niets aan de hand is. In 2019 wilden zij de investeringen in de productie van kolen, olie en gas tot 2030 verder opvoeren. De coronapandemie heeft daar op korte termijn een rem op gezet. Als de economische activiteit aantrekt, gaan de remmen echter weer los. Shell gaat ervan uit dat in ieder geval tot 2030 de productie van gas en olie zal groeien. De sector verwacht dat zijn netto-emissies op termijn gaan dalen door meer inzet van biomassa en het afvangen en opslaan van CO2 (CCS: Carbon Capture and Storage). Dat is een gok, want biomassa is schaars en CCS is duur en nog in een experimenteel stadium.

Lobby tegen klimaatmaatregelen

Tegelijkertijd investeren de grote olie- en gasbedrijven miljoenen in campagnes die de indruk moeten wekken dat zij er alles aan doen om de klimaatdoelen van Parijs te halen. Volgens Influencemap steken de vijf grote beursgenoteerde oliemaatschappijen (BP, Shell, Total, ExxonMobil en Chevron) daar zo’n 200 miljoen dollar per jaar in. Maar bijna datzelfde bedrag geven deze bedrijven uit aan advertenties en donaties aan lobbyclubs tégen klimaatmaatregelen. Pas dit jaar (2020) stoppen Shell en Total met hun bijdrage aan de fossiele lobbyclub American Fuel & Petrochemical Manufacturers (AFPM).

Ook in coronatijd is de lobby succesvol. De steunpakketten van de G20-landen gaan nog steeds, meestal zonder klimaatvoorwaarden, voor een groot deel naar de kwakkelende fossiele energieproducenten en hun afnemers. De stand per 29 juli 2020 was: 48% naar fossiel; 40% naar duurzaam en 12% naar overig energie. Tegelijk blijven landen, waaronder Nederland, de fossiele sector en zijn grootverbruikers fiscale voordelen geven. Volgens Milieudefensie voor wel 8 miljard euro per jaar. De OESO en het IEA gaan dit op verzoek van de Tweede Kamer binnenkort nog eens doorrekenen. Daar komt vast een ander bedrag uit, maar ook dat zal in de miljarden lopen. 

Climate Action 100+ volgt 39 olie- en gasbedrijven. Slechts drie daarvan verklaren dat de agenda van de belangengroepen waarvan zij lid zijn, overeenkomt met hun eigen klimaatagenda. Voor de overige 36 is het geen probleem dat zij publiekelijk een kordaat klimaatbeleid uitdragen, terwijl ze hun belangenvertegenwoordigers laten lobbyen tégen klimaatmaatregelen. Zo lobbyt de olie- en gassector in de VS voor de inperking van de rechten van aandeelhouders om klimaatresoluties te agenderen. Het altijd zo bedaarde PRI (Principles for Responsible Investment, een groot VN-platform waarin beleggers zich hebben georganiseerd voor gezamenlijk engagement) reageerde daarop furieus. En terecht.

De fossiele-energiesector, de bron van meer dan 60% van alle broeikasgasemissies, heeft dus twee gezichten: een dat de noodzaak van klimaatmaatregelen erkent en een ander dat daar tegelijkertijd volstrekt haaks op handelt.

Engagement is de weg van de minste weerstand

De financiële sector, die de fossiele bedrijven van het broodnodige kapitaal voorziet, heeft dezelfde twee gezichten. Banken en grote (institutionele) beleggers wereldwijd, zoals pensioenfondsen, hebben een belangrijke sleutel in handen om de klimaatdoelen van Parijs te halen. Zij beslissen namelijk of fossiele energiebedrijven en andere CO2-intensieve sectoren wel of geen geld krijgen. Inmiddels hebben grote financiële instellingen besloten om te stoppen met investeren in fossiele energie, bijvoorbeeld de Europese Investerings Bank (EIB) en de grote Noorse vermogensbeheerder Storebrand. Er zijn ook verzekeraars die geen steenkoolprojecten meer verzekeren. Nederlandse instellingen vormen een heel voorzichtige voorhoede, gevolgd door vooral andere Europese en enkele Amerikaanse financiële instellingen.

Daar staat tegenover dat de 35 grootste banken ter wereld volgens de Rain Forest Alliance in 2016, 2017, 2018 en 2019 elk jaar méér geld uitleenden aan de fossiele sector. Ook Nederlandse financiële instellingen blijven volop investeren in de fossiele sector. In hun communicatie onderschrijven ze hoe belangrijk het is om de klimaatcrisis aan te pakken, maar dat blijft vooral lippendienst. Desinvesteren zou volgens hen juist contraproductief zijn, want dan hebben ze ook geen invloed meer op het betreffende bedrijf. En als jij de financiering niet doet, neemt een minder kritische bank of investeerder graag jouw plaats in. 

Financiële instellingen die nog steeds investeren in de fossiele sector, brengen dat als een effectievere methode dan uitsluiting. ‘Inclusie’ is dus de positieve framing van ‘doorgaan op de oude voet.’ Volgens deze instellingen heeft praten meer effect dan uitsluiting. Dat praten – engagement – gebeurt wel achter gesloten deuren. Daarbij willen de financiële instellingen hun invloed gebruiken door aan te dringen op verandering. Engagement kan inderdaad effectief zijn. Maar dat geldt niet voor de fossiele-energiesector.

Veel financiële instellingen bestempelen engagement als dé strategie om hun klimaatdoelen te bereiken. Het is de weg van de minste weerstand: zij kunnen hun kernactiviteiten – het investeren in, financieren van of verzekeren van fossiele activiteiten –ongehinderd voortzetten. Daarmee hebben financiële instellingen en de fossiele-energiesector een gemeenschappelijk belang: ze blijven investeren in fossiele activiteiten. Bank en belegger zijn het roerend eens met het fossiele bedrijf over de effectiviteit en goede harmonie van hun terugkerende gesprekken. Neem bijvoorbeeld de gezamenlijke verklaring die Shell en een groot aantal beleggers opstelden: “Shell appreciates the long-term relationship with its institutional investors and acknowledges the positive role that can be played by ongoing engagement.” Met de mond belijden de partijen de noodzaak voor klimaatmaatregelen, met de portemonnee houden ze alles bij het oude. 

Natuurlijk kan engagement effectief zijn, maar niet als een bank of belegger een sector vraagt te veranderen door haar kernactiviteit af te bouwen. Kledingbedrijven vragen kinderarbeid in hun ketens uit te bannen is iets anders dan ze vragen geen kleding meer te maken. Het bedrijf moet dan geheel omscholen en nieuwe markten ontwikkelen. De transitie, en daarmee de weerstand, is simpelweg te groot. Met een goed gesprek krijg je het bedrijf die brug niet over.

Dat de fossiele-energiesector zich niets gelegen laat liggen aan gesprekken over klimaat met de financiële sector, laten talloze voorbeelden zien. Natuurlijk gaat het soms goed, maar dat leidt vervolgens alleen tot papieren toezeggingen, niet tot tastbare impact. De olie- en gassector gaat stug door nieuwe projecten te ontwikkelen. Zo kondigde Shell, waarschijnlijk het meest ‘ge-engagede’ bedrijf ter wereld, recent aan dat het meer gaat investeren in olie en gas. Shell blijft de productie opvoeren, want ‘de wereld kan niet zonder’. Net als Exxon en Chevron. Als het IEA-rapport The Oil and Gas Industry in Energy Transition iets laat zien, is dat de sector helemaal níet in transitie is. Tussen 2015 en 2019 is het aandeel van de investeringen in duurzame energie door de fossiele sector gestegen van 0,4% naar 0,8%. De rest van de investeringen gaat naar kolen, gas en olie. 

Desinvesteren uit de fossiele sector is wél effectief

Klopt het eigenlijk dat desinvesteren niet werkt? De fossiele sector zelf bewijst het tegendeel. Shell stelt in zijn jaarverslagen over 2018 en 2019 dat desinvesteringscampagnes een materieel risico voor het bedrijf kunnen zijn. Ook de OPEC vindt desinvesteren een groot risico voor de sector. Als het om steenkool gaat, verklaart de ene na de andere bank, belegger en verzekeraar dat hij gaat desinvesteren – met als hoogtepunt de aankondiging van Blackrock om uit mijnbouwbedrijven te stappen die meer dan 25% van hun omzet uit steenkool halen. Ook het ABP gaat heel voorzichtig in die richting met de ambitie om in 2030 niet meer direct te beleggen in kolen, althans in rijke landen. Inmiddels heeft de steenkoolsector het zo zwaar dat mijnbouwbedrijven zélf uit steenkool stappen of dat serieus aan het onderzoeken zijn. Ook in Azië is de financiering van steenkoolprojecten een heikele onderneming geworden. De financiële sector is dus actief aan het desinvesteren uit steenkool en ziet daar de impact van. Deze financiële instellingen kiezen daar overigens niet voor omdat ze betrokken zijn bij het klimaat, maar omdat ze zien dat de rendabiliteit van steenkool snel afneemt, zoals onderstaande figuur laat zien. 

 

De meeste financiële instellingen wereldwijd trekken dit besluit niet door naar de olie- en gassector, want daar valt nog wel geld te verdienen. Zij schatten de financiële risico’s voor die sector minder somber in dan voor kolen. Ze zien dus geen reden om uit de olie- en gassector te stappen. En dan vinden ze ineens dat engagement wél werkt en desinvesteren niet. De effectiviteit van engagement met de fossiele sector wordt dus onderbouwd door tegenstrijdigheden. Tijd om daar afscheid van te nemen.

Morele verantwoordelijkheid

Tot nu toe hebben we het vooral gehad over rationele afwegingen. Maar er is een laatste, cruciaal argument dat wellicht alle andere overschaduwt: de ethische of morele afweging. Als je weet dat een bedrijf waarin je investeert of een project dat je financiert, de klimaatcrisis verder verergert, als je weet dat je rendement maakt ten koste van mens en natuur nu en van vele generaties in de toekomst – hoe kun je zo’n investering dan nog moreel verantwoorden?

Er liggen veel kansen om het tij te keren. Steeds meer signalen wijzen erop dat het in opkomst is om zo snel mogelijk wereldwijd te stoppen met beleggen in of financieren van vooral nieuwe fossiele-energieprojecten. Druk op de financiële sector blijft daarvoor nodig.

Signaal 1: er ontstaan roadmaps naar desinvestering

Er komen roadmaps voor het desinvesteren uit fossiele energie, zoals de retirement schedules-strategieën. Daarbij bouwen financiële instellingen zo snel mogelijk hun belangen in de fossiele sector af, tegen zo laag mogelijke kosten en risico’s.

Signaal 2: de fossiele sector wordt een hoogrisicosector

De fossiele-energiesector was altijd een laagrisicosector voor beleggers en financiers, maar daarin komt nu heel snel verandering. De sector krijgt immers te maken met een groeiend aantal risico’s. Dat leidt bijvoorbeeld tot lagere koersen. Op de beurzen deden de olie- en gasbedrijven het voor de coronacrisis al matig, maar sindsdien is het alleen maar erger geworden. De afgelopen tien jaar is de DJ US Oil & Gasindex nauwelijks van zijn plaats gekomen, op wat tussentijdse schommelingen na. Ondanks de hoge economische groei in die vijf jaar is de index zelfs gezakt.

Groeiende risico’s voor de fossiele sector zijn nieuwe, concurrerende technologieën zoals zon- en windenergie, nieuwe regels en rechtszaken. De fossiele-energiebedrijven proberen de daling van het vertrouwen op te vangen met nieuwe investeringen om nog meer fossiele energie te winnen. Die strategie is riskant, want de kans groeit dat investeringen door de fossiele sector straks niets meer waard zijn door veranderingen in de markt en klimaatregels van overheden. Dat leidt tot stranded assets én liabilities en heeft van de voorheen stabiele fossiele-energiesector een speculatieve investering gemaakt – een proces dat de coronacrisis verder heeft versterkt.

Signaal 3: centrale banken roeren zich

Het is dan ook niet verwonderlijk dat toezichthouders, zoals centrale banken die staan voor de stabiliteit van de financiële sector, willen dat pensioenfondsen en banken rekening gaan houden met deze groeiende risico’s. Mark Carney, tot 2020 gouverneur van de Bank of Engeland, dringt er bij de financiële sector op aan nú te handelen, want “zodra klimaatverandering een bepalende factor wordt voor financiële stabiliteit, zou het al te laat kunnen zijn.” Ook Frank Elderson, directeur toezicht van de Nederlandse Centrale Bank, wil dat de financiële sector zijn klimaatrisico’s in kaart brengt. Daar horen ook de investeringen in en financieringen van de fossiele sector bij. 

Signaal 4: de boze belegger

Soms maakt een belegger zich wel kwaad om de engagementgesprekken met een fossiel-energiebedrijf. De Engelse grootaandeelhouder Legal & General (L&G) bleef met Exxon praten, tot dit bedrijf een aandeelhoudersresolutie blokkeerde die vroeg om meer inspanningen voor het klimaat. L&G verkocht daarop 300 miljoen dollar aan Exxon-aandelen.

Signaal 5: omslag in de sector zelf

Niet veel bedrijven zijn in staat een transitie met hun kernactiviteit te maken. Motorola slaagde er niet in, Nokia uiteindelijk evenmin. De automobielsector worstelt er nu mee, maar daar is de transitie van fossiele brandstoffen naar elektrische aandrijving het kantelpunt inmiddels gepasseerd. Interessant genoeg gaat dat voor de fossiele-energiesector flinke consequenties hebben. Er zijn nog geen fossiele energiebedrijven die deze omslag maken. Beloftes zijn er wel. Zo beloven Eni, Repsol en BP om in 2050 klimaatneutraal te zijn. De kleine lettertjes in die beloftes stemmen echter niet hoopvol over de uitkomsten. Druk vanuit de financiële sector om die beloftes waar te maken is dus hard nodig.

Piet Sprengers, manager Duurzaamheidsstrategie & -Beleid bij ASN Bank.

Dit essay verwoordt de opinie van Piet Sprengers, reacties op dit essay zijn welkom. U kunt ze sturen naar piet.sprengers@asnbank.nl onder vermelding van ‘Duurzaam Denkbeeld’. 

Beeld: ASN Bank