22-11-2020 14:21 | Door: Paul van Liempt

Na alle commentaren over de Amerikaanse verkiezingen springt één verklaring in het oog. Biden won in de grote steden waar de hoogopgeleide bevolking woont en er economische voorspoed is. Het deel van het land dat profiteerde van de globalisering en dat klimaatverandering serieus neemt. Trump won in de kleine steden en op het platteland, waar armoede heerst. Wat hebben we aan die analyse?

Eerst even wat niet helpt, want dat maakt veel duidelijk. Wat niet helpt is doen alsof maatschappelijke vraagstukken als migratie, klimaatverandering en economische ongelijkheid op zichzelf staan. Wat ook niet helpt zijn wetenschappers die angstvallig hun eigen discipline strak begrenzen. Die weigeren te zoeken naar samenhang en liever blijven navelstaren.

Wie echt zoekt naar oplossingen voor de verdeeldheid in Amerika, met grote gevolgen voor de hele wereld, moet diep durven graven en over alle denkbare grenzen heen kunnen kijken. Durven erkennen dat de economische ongelijkheid in Amerika ook te maken heeft met klimaatverandering en dat oplossingen alleen met inzet van een combinatie van alle kennis verkregen kunnen worden.

Milde ergernis

Een milde ergernis overviel me af en toe tijdens de presentatie van het BNR economenpanel, als een econoom na een gloedvol betoog het antwoord op de vraag daarna schuldig moest blijven: "Dat weet ik niet. Ik ben econoom, ik weet niets van politiek of klimaat." Waardoor het betoog toch inkromp tot een ideetje dat nooit verder zou reiken dan de tekentafel.

Een grotere ergernis kreeg ik na lezing van een column van Ronald Plasterk in De Telegraaf, moleculair bioloog en ooit actief lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij gooide alle grenzen op slot in een beschouwing over het klimaat: "Klimaat is een bètaprobleem dat door bèta's moet worden opgelost. Het is helaas in handen van alfa's gevallen die een andere agenda hebben dan het oplossen van het technisch probleem." Klinkt wat armoedig, uit de pen van iemand die als oud-minister ook nog bestuurlijke ervaring heeft.

Latour zet ons wél op het goede spoor

De Franse filosoof, socioloog en antropoloog Bruno Latour zet ons wél op het goede spoor. In zijn essay 'Waar kunnen we landen?" stelt hij dat globalisering en oprukkende ongelijkheid hand in hand gaan met het ontkennen van klimaatverandering. Zowel de neoliberale globalisten, voor het gemak de Biden-stemmers, als de groep met hang naar het lokale, naar het patriottisme, voor het gemak de Trump-stemmers, ontkennen dat onze manier van omgaan met de aarde niet houdbaar is. Latour is intussen ook in Nederland ontdekt en in mooie interviews in de Volkskrant, Trouw en het Financieele Dagblad zette hij uiteen dat het beide groepen aan een gemeenschappelijk referentiekader ontbreekt. Om de afstand te overbruggen roept hij de leiders van deze tijd op een nieuwe politiek te ontwikkelen die de aarde centraal stelt.

In zijn essay blijft Latour nog onduidelijk over hoe hij dat precies voor ogen ziet, maar in het FD wijst hij verrukt naar een Nederlands fenomeen, de waterschappen, die als taak hebben de natuurlijke omgeving te beheren. "Zo'n vorm van zorg voor de omgeving, en van politieke macht, is een mooi alternatief voor de sprookjes van de globalisering en het nationalisme."

Het tandem Latour-Rotmans

Het sluit naadloos aan bij ideeën van hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans die zich concentreerde op de voedseltransitie, om de kloof globaal-lokaal te slechten. Rotmans sprak over De Betuwe als fruitmotor en de Rotterdamse regio als voorbeeld van circulair systeem van voedsel verbouwen. In een vloeiende beweging zet hij daarna in op het idee van een Europa van de regio's. Dat is voor hem de transitie van Globalisering naar Glokalisering. Het tandem Latour-Rotmans wijst ons de weg naar een glokale toekomst.

Beluister ook de Green Leaders-interview van Paul van Liempt met Buurtboer-oprichter Caroline van der Lande