19-07-2018 07:24 | Door: Joyce de Thouars

Bijna een miljard mensen in ontwikkelingslanden lijden aan ondervoeding. Dit wordt traditioneel bestreden met voedselhulp van donorlanden. Maar wat als een bedrijf ter plaatse een fabriek bouwt en met lokale grondstoffen voedingsrijke voeding voor de regio produceert? Dan is er sprake van een duurzaam businessmodel dat ondervoeding tegengaat en de economie stimuleert.

Dat het niet of-of is maar ook en-en kan zijn bewijst Africa Improved Foods (AIF). De joint-venture tussen de Rwandese overheid en een consortium van DSM en financierende partijen, vierde onlangs het eenjarig bestaan van haar voedingsmiddelenfabriek in Rwanda, het kleinste land van Oost-Afrika. De fabriek produceert pap uit lokaal ingekochte mais en sojabonen en verrijkt dit met vitamines en mineralen. Dat betekent gezonde voeding voor 2 miljoen jonge kinderen, zwangere vrouwen en moeders die borstvoeding geven én een betere toekomst voor Rwandese boeren.

Purpose-gedreven bedrijf pakt wereldproblemen aan

“Wereldwijd zijn 800 miljoen mensen serieus ondervoed en hebben 2 miljard mensen een tekort aan micronutriënten”, begint Fokko Wientjes, vice-president nutrition in emerging markets bij DSM. Tien jaar geleden kwam DSM echter tot de conclusie dat haar producten juist deze kwetsbare groepen niet bereikten. Dat is volgens Wientjes een gemiste kans, omdat het bedrijf vanuit zijn wetenschappelijke kennis en productportfolio over oplossingen voor het hardnekkige probleem beschikt.

DSM besloot daarom om een partnerschap aan te gaan met het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties, de grootste voedselhulp distributeur in de wereld. Voor Wientjes was de samenwerking een logische stap: “DSM is de grootste vitamine producent dus samen konden we miljoenen mensen bereiken met calorieën én nutriënten.” Het partnerschap en een daaropvolgende samenwerking met Unicef gaf DSM een belangrijk inzicht in de problematiek rond voeding van jonge kinderen.

Duurzame economische groei door lokale werkgelegenheid, lokale inkoop en regionale verkoop

Een belangrijke les is dat producten ‘available, affordable en aspirational’ moeten zijn. Simpel gezegd betekent het dat producten beschikbaar en betaalbaar moeten zijn en dat mensen ze ook daadwerkelijk willen. “Heel veel voedingsoplossingen zijn namelijk technisch en wetenschappelijk verantwoord maar dat is niet genoeg om mensen ook zo ver te krijgen om het te eten. Voeding is heel persoonlijk en cultuurgevoelig”, legt Wientjes uit. “Het is daarom belangrijk om naar de gewoontes en voorkeuren van mensen te kijken.”

De opgedane inzichten leidden tot een ‘enorme innovatieslag’ binnen het bedrijf, wat nieuwe verrijkte producten als fortified rice en super cereal opleverde. Doordat deze producten vol zitten met vitamines en mineralen zijn ze belangrijk in de structurele aanpak van ondervoeding.

Een volgende ‘logische stap’ was de bouw van een voedingsmiddelenfabriek in Rwanda, waar de stunting niveaus op 38 procent liggen. In 2020 moet dit teruggebracht zijn naar 32 procent. Het distribueren van AIF-producten via gezondheidscentra, regionale ziekenhuizen en vluchtelingekampen draagt daar aan bij. De gezonde pap voorkomt dat kinderen in de eerste 1.000 dagen van hun leven blijvende cognitieve en fysieke schade oplopen door ondervoeding.

Transformatie van het landbouwsysteem

‘Afrika voedt Afrika’ is de filosofie achter het duurzame businessmodel. Dat betekent: lokale werkgelegenheid, lokale inkoop en regionale verkoop. Daarmee wordt een oude gewoonte doorbroken, namelijk het importeren van voeding van buiten het Afrikaanse continent. “Afrika moet zich voor een deel zelf kunnen voeden”, vindt Wientjes. “Daarom willen wij in het continent zelf investeren en er een voeding business opbouwen.”

'We hebben nu een betere oogst en verkopen tegen goede prijzen'

De resultaten van het eerste jaar van AIF laten zien dat de duurzame aanpak werkt. Zo worden als de fabriek op volle capaciteit draait meer dan 2 miljoen monden met de verrijkte pap gevoed. Bovendien leverde het tot nu toe 300 kwalitatieve banen op en zijn de inkomsten van meer dan 20.000 kleine boeren met 30 tot 40 procent verhoogd. Dit laatste is het resultaat van een verbeterde oogstopbrengst en een gegarandeerde afname door AIF tegen een eerlijke prijs.

Faina Mukantwari is een van de vele vrouwelijke Rwandese boeren die aan het AIF leveren. “AIF heeft ons geleerd hoe we gewassen op de juiste manier kunnen verbouwen. Van zaaien tot onkruidbescherming, het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen en het monitoren van de ontwikkeling van de gewassen”, vertelde Mukantwari eerder tijdens een interview aan CNBC Africa. “De opgestoken vaardigheden hebben onze oogst verbeterd. We hebben nu een goede opbrengst en verkopen onze producten tegen goede prijzen.”

Bekijk in de video hoe de innovatieve aanpak het voedsel- en landbouwsysteem transformeert:

Dilemma van voedselhulp

Nu moet de fabriek van AIF ook nog winst gaan maken. “Vanuit een duurzaam oogpunt moet natuurlijk winstgevendheid bereikt worden. We liggen op schema, maar het is een uitdaging”, bekent Wientjes. Het is niet eenvoudig omdat de grondstoffen in Afrika duurder zijn dan op de wereldmarkt. De kosten per ton ingekochte mais en sojabonen moeten dus omlaag maar tegelijkertijd moet ook het inkomen van de boer verder omhoog. “Het is hierbij niet of-of”, beklemtoont Wientjes. “Het is en-en als de inefficiënties uit het systeem worden gehaald.”

'De concurrentiepositie van Afrikaans geproduceerde voeding moet verbeteren'

De rol van donoren is ook belangrijk. Zij kopen aan de ene kant voedselhulp in en zoeken aan de andere kant naar de laagste prijs, onafhankelijk van de herkomst van een product. Daarin schuilt een dilemma. Het doel van de donoren is om op korte termijn met de beschikbare budgetten zoveel mogelijk monden te voeden. Dat kan door goedkope grondstoffen te importeren, maar daarmee wordt de lokale economie en bevolking op de lange termijn niet geholpen en ontwikkeld.

Het lokaal inkopen biedt juist wel veel kansen voor de toekomst. De boeren hebben echter een achterstand op agrariërs uit Europa en Noord-Amerika, die van een gesubsidieerde infrastructuur profiteren. “Het is een moeilijke discussie”, zegt Wientjes. “Maar we moeten een oplossing vinden om de concurrentiepositie van Afrikaans geproduceerde voeding te verbeteren en inkomens van lokale leveranciers tegelijkertijd te verhogen. Dat is echte duurzame ontwikkeling.”

Is duurzaamheid business?

De duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) van de Verenigde Naties moeten een einde maken aan problemen zoals armoede, ondervoeding en klimaatverandering. Door de ontwikkelingsdoelen slim in de bedrijfsstrategie te integreren kan het ook kansen bieden voor business.

DSM onderstreept dat in zijn onlangs aangepaste strategie, waarin ‘purpose-led, performance-driven’ centraal staat. Het bedrijf heeft in het afgelopen decennium al bewezen dat het bijdragen aan het behalen van sociale- en milieudoelstellingen samen gaat met groeiende winstgevendheid. Het verkrijgen en uitbreiden van posities in opkomende markten hoort daarbij.

'Publiek private-samenwerking is geen silver bullet'

De uitbreiding in deze markten moet volgens Wientjes echter wel op een verantwoorde manier gebeuren, waarbij samenwerking tussen de verschillende stakeholders essentieel is. DSM behoort vanaf het begin tot een inmiddels groeiende groep bedrijven die niet bang is om publiek-private samenwerkingen aan te gaan. “Het is echter geen silver bullet”, waarschuwt Wientjes. “Je moet weten wat een samenwerking wel en niet kan brengen. Het is een kwestie van geven en nemen en elkaar sterktes en zwakten begrijpen.”

De les die Wientjes heeft geleerd is dat samenwerking de grootste kans van slagen heeft als wordt ingezet op impact. “Als partners moet je gedeelde doelen hebben waarbij iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid houdt”, licht Wientjes toe. “Een cultuurmatch is ook belangrijk. Als een buitenstaander bijvoorbeeld een meeting tussen DSM en het Wereldvoedselprogramma ziet dan weet hij niet wie bij wie werkt.”

AIF is bij uitstek een goed voorbeeld van een succesvolle publiek-private samenwerking. De volharding van en het creëren van de juiste omstandigheden door de overheid van Rwanda speelde volgens Wientjes een belangrijke rol. Hij noemt AIF een consortium waarin de boeren net zo belangrijk zijn als de investeerders. “Het is op een hele grote schaal opgezet. Maar dat is ook nodig om dit grote probleem op te lossen.”

Een toekomst zonder ondervoeding

DSM wil het succes in andere landen herhalen. “We kijken naar landen zoals Ethiopië en India, waar 600 miljoen mensen ondervoed zijn”, vertelt Wientjes. In Zambia is in de tussentijd al een kleine investering gedaan. “Daar hebben we geïnvesteerd in een start-up, die zich bezighoudt met voeding en verrijkte producten op de markt brengt”, onthult Wientjes. “Zij hebben steun nodig om op te schalen dus wij brengen kennis en producten in.” Het is slechts een voorbeeld van de vele kansen die er zijn om wereldwijde issues op te lossen en economische groei te realiseren door duurzaam te ondernemen.

Lees meer inspirerende cases over duurzaam ondernemen:

Foto: Adobe Stock