18-06-2020 08:23 | Door: Rianne Lachmeijer

De meeste kledingwinkels zijn al weken open, maar dat betekent niet dat de problemen in de kledingindustrie verdwenen zijn. Weinig winkelbezoekers en grote voorraden baren winkeliers zorgen. “Als je melk verkoopt begrijpen mensen dat het over datum gaat. Dat is ook met kleding zo, want wie koopt er nog een zomerjas in juli?”, zegt Femke den Hartog van branchevereniging INretail. De coronacrisis mag echter geen reden zijn om verantwoordelijkheden af te schuiven op andere partijen in de keten, benadrukt Irina van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank. “Die verantwoordelijkheid staat buiten kijf.”

De afgelopen weken stonden de kranten vol met verhalen over ondernemers die in zwaar weer verkeren vanwege de coronapandemie. In de kledingindustrie is het niet anders. Net als in andere sectoren maakt de crisis de fouten in het systeem zichtbaar. “De marges in de sector liggen al heel lang te laag”, vertelt Femke den Hartog, senior beleidsadviseur bij branchevereniging INretail.

Al voor de crisis stond 38 procent van de partijen in de textielindustrie er slecht voor, schreef McKinsey in april. Met een sluiting van een maand ziet 66 procent van de kledingindustrie de winst voor rentelasten, belastingen en afschrijvingen (EBITDA) tot een risicovol niveau dalen, zegt het adviesbureau in het rapport ‘COVID 19 impact on Apparel & Fashion’. Dat betekent dat nu de winkels weer open zijn, de problemen niet gelijk voorbij zijn.

Download het rapport

De situatie in de kledingindustrie

Doordat er minder klanten in de winkels mogen, kunnen winkeliers gemiddeld minder omzet draaien, omdat het aantal verkopen lager komt te liggen. Dat levert problemen op, omdat met namen op dure winkellocaties retailers hoge volumes moeten draaien om rendabel te zijn. 10 procent minder omzet heeft al grote gevolgen voor het businessmodel.

Den Hartog vat het probleem kort samen: “We zijn eigenlijk verslaafd geworden aan lage prijzen en een groot en divers aanbod terwijl dat eigenlijk onhoudbaar is. We moeten naar een ander evenwicht van misschien een minder hoog aanbod, maar wel een kwalitatiever aanbod met een betere prijs kwaliteit verhouding.”

Zij wijst erop dat prijzen van de meeste producten over de jaren heen stijgen vanwege inflatie. Bij de prijs van een T-shirt is juist het omgekeerde gebeurd. In de jaren ’70 was een T-shirt relatief duurder dan nu. Daarnaast ‘veroudert’ kleding nu snel. “Als je melk verkoopt begrijpen mensen dat het over datum gaat. Dat is ook met kleding zo, want wie koopt er nog een zomerjas in juli?”, legt Den Hartog uit. Dat betekent dat de voorraden die zich tijdens de crisis ophoopten, nu over het algemeen niet meer te verkopen zijn.

'We zijn eigenlijk verslaafd geworden aan lage prijzen'

Het businessmodel van de kledingindustrie piept en kraakt. Volgens Den Hartog zit de sector hier mee, maar bijvoorbeeld het van de een op de andere dag verhogen van de prijzen is makkelijker gezegd dan gedaan. “Dat is natuurlijk heel moeilijk in de wereld waarin we leven; waarin alles over prijs gaat.” Zij benadrukt dat consumenten daar ook een rol in spelen. De meeste mensen blijven nog steeds zoeken naar de laagste prijs. Zij hoopt dat mensen duurzamere beslissingen nemen, maar waarschuwt voor ‘wishful thinking’. Als de economie straks krimpt en mensen minder te besteden hebben, is het de vraag in hoeverre zij bereid zijn meer te betalen voor duurzamere kleding.

Binnen de kledingindustrie gaan wel geluiden op voor veranderingen aan de productie- en aanbodkant. Zo publiceerde een groep toonaangevende internationale modeontwerpers en -merken halverwege mei een open brief. Daarin riepen zij op om af te stappen van de vele collectiewisselingen. Waarom hangen in augustus de winterjassen al in de schappen? Zij pleiten ervoor kleding te verkopen wanneer mensen het daadwerkelijk gaan dragen. Den Hartog vertelt dat er jaarlijks wel zestien collectiewisselingen plaatsvinden. Deze volgen elkaar zo snel op dat een deel van de voorraad in de uitverkoop belandt, waardoor de consumenten denken dat alles met korting te koop is. “Wat ook niet goed is voor het businessmodel.”

De keten niet vergeten

In de productielanden lijkt de impact van de coronacrisis op de sector nog groter dan in de westerse landen. Zo geeft 80 procent van de 87 ondervraagde kledingmerken in het onderzoek van McKinsey aan dat zij bestellingen hebben geannuleerd, waarbij 53 procent van de merken minder dan 25 procent van hun bestellingen heeft geannuleerd en 9 procent meer dan 50 procent.

Irina van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank en voorzitter van het Platform Living Wage Financials (PLWF) merkt dat kledingbedrijven heel verschillend op de crisis reageren. Sommige proberen hun verantwoordelijkheden af te schuiven naar de fabrieken en betaalden hun uitstaande bestellingen niet. Andere willen juist een stap vooruitzetten. Bijvoorbeeld door het statement van de International Labour Organization (ILO) te ondertekenen. “Die committeren zich er dus aan om bij de herstart een sociale vloer te gaan leggen”, zegt Van der Sluijs.

 De financiële instellingen die verenigd zijn in PLWF zetten zich sinds 2018 in om grote kledingmerken in beweging te krijgen, zodat een leefbaar loon de norm wordt. Een leefbaar loon staat gelijk aan het geldbedrag dat nodig is om in de basisbehoeften te voorzien, zoals geld voor de dagelijkse boodschappen, de huur en om de kinderen naar school te sturen. Dit bedrag ligt vaak hoger dan het minimumloon in productielanden. Van der Sluijs heeft het gevoel dat er schot in de zaak zat. “Helaas heeft corona laten zien dat het voor een groot deel van de bedrijven, ik noem geen namen, eigenlijk een papieren werkelijkheid is”, zegt zij. Misschien was de situatie in de productielanden nu anders geweest als leefbaar loon al de norm was. “Als er nou leefbaar loon was geweest dan hadden die werknemers ten minste hopelijk een kleine buffer gehad.”

Van der Sluijs vond dat het PLWF ook een verklaring moest uitbrengen, naast de statements die er al waren vanuit organisaties als ILO, Fair Wear Foundation en Fair Labor Association. “We kunnen niet over ‘living wage’ praten als werknemers en masse ontslagen worden”, aldus Van der Sluijs. In hun verklaring schrijven de financiële instellingen dat zij begrijpen dat bedrijven nu focussen op crisismanagement, maar zij wijzen tegelijkertijd op het toekomstig belang van een sociaal gezonde keten. Van der Sluijs verwacht dat PLWF zich vanaf nu breder zal uitspreken voor sociale zekerheid. In lijn met de doelstellingen van ILO, waarbij normale werktijden, arbeidskosten en misschien zelfs milieukosten verdisconteerd worden in de prijs van producten. “Daar gaan wij bedrijven ook individueel op aanspreken.”

Verantwoordelijkheid

Kledingbedrijven zijn verantwoordelijk voor alle partijen in de keten, vindt Van der Sluijs. Ook in deze tijden van crisis staat zij achter die stelling. “Die verantwoordelijkheid staat buiten kijf”, zegt zij. Den Hartog wijst erop dat een groot aantal Nederlandse bedrijven dat ook onderkent, omdat zij vanuit het Convenant Duurzame Kleding en Textiel de verklaring van het ILO ondertekenden. Tegelijkertijd benadrukt zij dat er een grens zit aan die verantwoordelijkheden. “Je kan moeilijk lonen in Bangladesh gaan betalen als je jouw bedrijf niet meer overeind kan houden.” Zij wijst erop dat dit in lijn is met wat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) zegt: dat de verplichtingen redelijk moeten zijn. “De continuïteit van het bedrijf is daarin heel erg belangrijk.”

Van der Sluijs reageert dat het klopt dat de OECD benadrukt dat er een balans moet zijn tussen financieel-economisch en maatschappelijk rendement. Als bedrijven massaal faillissement moeten aanvragen, dan verliest iedereen. Zij plaatst daarbij echter ook een kanttekening. “Hoe duurzaam is een bedrijfsmodel dat drijft op lage lonen en neigt naar exploitatie van mensen ver in de keten?” Die vraag komt voor haar meer op de voorgrond te staan door de crisis. Zij staat erachter dat westerse bedrijven werkgelegenheid creëren in productielanden, maar daar hoort een ondergrens bij zodat mensen die werken boven de armoedegrens uitkomen. Die ondergrens is wat haar betreft net zo belangrijk als het scheppen van werkgelegenheid. “Anders doorbreek je die vicieuze cirkel nooit.”

Lees ook: 'Sociale duurzaamheid zou een no-brainer moeten zijn'

Na de crisis

Den Hartog verwacht dat niet alle kledingwinkels de coronacrisis zullen overleven. Hoe het gaat met de duurzame ambities van bedrijven, vindt zij lastiger te voorspellen. Een groot bedrijf dat zij sprak gaf aan op duurzaamheid te blijven inzetten. “Duurzaam of niet duurzaam is niet de vraag. Dat houden ze vast, maar de vraag is hoe snel die verduurzaming gaat.”

'Duurzaam of niet duurzaam is niet de vraag'

Over de invloed van Covid-19 op de invoering van leefbare lonen kan zij nu nog weinig zeggen. “Een leefbaar loon begint bij mij met een goede sociale dialoog.” Zij legt een link met de Nederlandse situatie: iedereen begrijpt dat er nu geen loonsverhoging komt. “Hoe komen we hier gezamenlijk uit? Dat is de vraag die leidend moet zijn en een basis kan leggen voor verdere gesprekken in de toekomst over het betalen van een leefbaar loon”, vindt Den Hartog.

Den Hartog stoort zich soms aan berichtgeving over de kledingindustrie waar de nadruk ligt op de lage kledingprijzen en de slechte productieomstandigheden in landen als Bangladesh. “Terwijl ik weet dat wij daar in Nederland heel erg veel aan doen. Wij zijn daarmee echt een voorloper in vergelijking met andere Europese landen.”

Zo wijst zij op de stappen die de sector al zet. Bijvoorbeeld met het Convenant Duurzame Kleding en Textiel waarbij de ondertekenaars hun productielocaties moesten publiceren. “Die hebben daardoor een beter beeld waar ze produceren, wat de risico’s zijn en hoe ze hier actief mee aan de slag kunnen.” Zowel Den Hartog als Van der Sluijs hoopt dat Europese bedrijven na de crisis in Azië blijven produceren, ondanks de vermeende risico’s. Dichterbij produceren klinkt misschien sociaal, maar daar zijn de werknemers in Azië niet bij gebaat.

Tijd voor wetgeving

Op 29 april kondigde Eurocommissaris Didier Reynders aan dat de Europese Commissie wetgeving gaat ontwikkelen die Europese bedrijven verplicht om ‘due diligence’ (gepaste zorgvuldigheid) toe te passen wat mensenrechten en milieuschade betreft. Van der Sluijs heeft het gevoel dat bedrijven in de kledingindustrie meer openstaan voor wetgeving dan een aantal jaren geleden. Zij ziet de ontwikkelingen op Europees niveau als een goed teken. “Het feit dat een commissaris van de EU zich daar al over uitspreekt geeft bij mij aan dat de geesten nu rijp zijn.”

Lees ook: Anna van Puijenbroek, directeur HAVEP, wil de textielindustrie op zijn kop zetten

Afbeeldingen: Adobe Stock